De Gracieuse 1863 | Seite 120

112 OVER EDELGESTEENTEN.

den met drie- en vierdubbele parelsnoeren, gouden met juwee-len bezette armbanden, en hare vingers evenzoo met ringen. Verscheidene dezer versierselen zijn geschiedkundig geworden; want wij lezen dat FAUSTINA’S ring 40,000 pond kostte, die van DAMITIA 60,000, CESONIA’S armband, 80,000; de oorringen van POPPEA, 120,000 pond. De diadeem van SABINA werd op de fabelachtige som van 240,000 pond geschat.

Zelfs de kousebanden dezer dames waren glansrijke kunst-stukken. SABINA de jongere bezat een paar die omtrent 40,000 pond bedroegen van wege de kostbare gesneden steenen waaruit zij bestonden.

Deze schatten werden door de Gothen verstrooid. Gedurende de eerste eeuwen des Christendoms werden de edele steenen in groote hoeveelheid gebruikt, tot het versieren van kerken en altaren. De wederopkomst der juwelierskunst dateert van de twaalfde eeuw, en in Engeland vindt men nog een zeldzaam voorbeeld van den arbeid dier eeuw, namelijk den beker van GILBERT à BECKET. “Deze beker,” zoo verhaalt ons MISS STRICK-LAND, “is van ivoor, met zilver gemonteerd, en van boven en onderen met paarlen en edele steenen bezet.” In de drie daarop volgende eeuwen bereikte de persoonlijke buitensporigheid in juweelen eene verbazende hoogte; en de kleederen der edelen gedurende de Middeleeuwen schitterden letterlijk van edelge-steenten. Bij de overwinning van Poitiers, werd door de Engel-schen en Gaskonjers een onmetelijke buit gemaakt aan geld, rijk goud- en zilverwerk, kostbare parelen, enz. Naar alle waar-schijnlijkheid waren de Hertogen van Bourgondië de eerste ver-zamelaars van juweelen en parelen, terwijl KAREL DE STOUTE de diamanten in de mode bragt. Van de pracht, welke deze vorst ten toon spreidde, kan men een genoegzaam denkbeeld krijgen door het volgende uittreksel uit Madame de BARRERA’s onderhoudend boek: “Edelsteenen en Juweelen 1).”

1) Londen: BENTLEY. Aan dit werk zijn wij verscheidene in dit stukje voor-komende bijzonderheden verschuldigd; en wij bevelen het in gemoede aan al die- genen onzer lezeressen, welke verlangen dit onderwerp uitvoeriger te bestuderen, hetgeen onze ruimte niet toelaat.