De Gracieuse 1863 | Page 118

OVER EDELGESTEENTEN.

I. GESCHIEDKUNDIG OVERZICHT.

Oudheid der edele steenen. – Romeinsche kostbaarheden. – KAREL DE STOUTE. –

Koningin ELIZABETH. – De juweelen in Frankrijk. – LODEWIJK XIV en zijn

hof. – Brief van JAKOBUS I. – De omwenteling. – De edelgesteenten onder

het Keizerrijk. – Hedendaagsche smaak.

Van de vroegste eeuwen af hebben de menschen groote waarde gehecht ana die natuurvoortbrengselen, welke algemeen onder den naam van “edelgesteenten” bekend zijn, en zelfs de Hei- lige Schrift levert overvloedige bewijzen van de eer waarin zij gehouden werden. Zoo lezen wij dat de borstlap des Hooge-priesters twaalf steenen van onschatbare waarde bevatte, in ieder waarvan de naam van een der stammen Israëls gegraveerd was. De oostersche dichtkunst ontleent menige beeldspraak aan juweelen, en in den Talmud vinden wij de schoone legende, dat NOACH in de ark geen ander licht had dan dat, voortge- bragt door edele steenen. In hetzelfde gedicht wordt ons ook verhaald, dat ABRAHAM zoo jaloersch was op zijne talrijke vrou-wen, dat hij ze opsloot in eene stad welker muren van ijzer en zóó hoog waren, dat zon, maan, noch sterren ooit door de gevangenen gezien werden. – Om haar van licht te voorzien, gaf ABRAHAM haar een prachtigen schotel, met edele steenen gevuld, die de geheele stad schenen te verlichten.

Onder het romeinsche keizerrijk, steeg de smaak voor juwee-len, die opgewekt was door den uit vreemde landen medege-bragten buit, tot een’ zeer hoogen trap. POMPEJUS verblindde de oogen der Romeinen, bij gelegenheid van zijn’ zegevie- renden intogt na zijne terugkomst uit het Oosten, door vele