108 CONSTANCE CHORLEY.
de handen gevouwen tusschen de knieën. Hetzij hij zich verne-derd gevoelde over de vertrouwelijkheid waarmede zijn vader gesproken had, hetzij er iets zwaars, iets alles behalve werk-manachtigs op zijne oogleden drukte; op eens echter sloeg hij ze op en vestigde ze op zijns vaders gelaat. In gewone tijden vond men het een leelijk, geel, door de pokken geschonden gezigt, maar nu in deze plegtige oogenblikken lag er zooveel verheven-heid, zooveel zielenadel op uitgespreid dat KRIS het niet onge-roerd konde aanzien.
Plotseling werd de drukkende stilte verbroken, een keuken-stoel viel om. KRIS stond bij zijn vader, zij spraken niet, de harde handen lagen ineen, de oogen ontmoetten elkaâr, stilzwij-gend werden daar eene vraag en een antwoord gewisseld. Dit was genoeg, toen ging hij weêr zitten. Hij keerde weder naar zijne plaats; maar zijn hart had hij neergelegd aan zijns vaders voeten, en die vader zegende hem met een zegen dien hij nim-mer onder woorden bragt, maar waarvan KRIS de heilzame uit-werking gedurende zijn geheele leven zou ondervinden.
DE ZONDAG.
De Zondag is wat het uit zon en dag zaamgevoegde woord ons zegt, namelijk een dag en een zonnige dag, en heeft alzoo een dubbelen glans. Het is de zonnige dag der week, die over de geheele week zijn licht verbreidt. Gelijk er zonder zon geen licht maar enkel duisternis bestaat, zoo is zonder zondag elke werkdag donker.
En al begint het Sabbathsgebod niet met het gebiedende: “Gij zult,” als de overige geboden maar met het zachtere: “Gedenk den Sabbathdag” en al voert dat “Gedenk” ons met onze gedachten minder naar het ontzagwekkende Sinaï dan naar het schoone Eden waar dat gebod door Godzelven werd ingesteld, toen Hij rustte van Zijnen arbeid en den zeven-den dag heiligde – toch is ook dat “Gedenk” ons een op- geheven vinger en klinkt het ons tegens als eene waarschuwende en vermanende stem.