De Gracieuse 1863 | Page 115

CONSTANCE CHORLEY. 107

zouden de minvermogenden niet zulke meesters kunnen leveren? Onze geest ligt te veel aan banden en wij zijn te oud om ons zelven tot zoo iets te verheffen; waarom zouden wij dan onze zoons verhinderen het verder te brengen dan wij? Ik heb over deze dingen gedacht, ik heb er jaren over getobd; terwijl KRIS opgroeide heb ik hard gewerkt en geld gespaard zonder dat EEFJE of hij of iemand ter wereld er iets van wist, uit vrees dat hij een deugniet of luiaard worden zou. Noch het een, noch het ander is hij: nu wil ik mijn plan volvoeren en KRIS zal een ingenieur en een fatsoenlijk man worden. Gij weet nu wat ik daardoor versta. Geen leeglooper, maar een man die door zijn verstand en karakter toonen kan dat hij aanspraak had op het voorregt dat hem te beurt viel. Zijne voorouders zullen hem niet tot oneer zijn zoo hij het hun niet is; mogt dit het geval worden dan hoop ik dat hij de laatste van ons geslacht zij, dan trek ik van de rest mijn hart af!”

“En hoe,” vroeg HUMPHREY met een kwalijk verborgen spot-tenden lach, “hoe zal dit schoone plan ten uitvoer gebragt worden?”

“Hoe? GWYNNE en HARDELL, de groote landbouwwerktuig-kundigen hebben hem twee malen gezien en hadden zoo veel schik in hem dat zij hem nemen willen tegen betaling eener ordentelijke premie.”

“Zoo waarlijk! en die is?”

Na een oogenblik dralens als om moed te verzamelen zeide oom VALLON, “wel, ik weet dat ik goed gedaan heb, ik zal maar de helft betalen van wat zij van hunnen vorigen leerling kregen.” Hij noemde de som niet maar veegde zijn warm gelaat af en scheen geheel en al de gedane vraag te hebben vergeten.

“Maar de som, JAKOB,” vroeg HUMPHREY even strak en koud.

“Wel nu zoo als ik u zeide het is eene goede som niet min- der dan 200 pond maar er zijn vele voordeeltjes bij.”

HUMPHREY stiet een vloek uit, jufvrouw STANDISH kuchte en zag zeer ernstig, en in aller harten rees een denkbeeld, eene gedachte dat oom VALLON – een onverstandig, een dwaas stuk had begaan. – Maar hij zat stil en hield op met spreken.

KRIS had al dien tijd de oogen niet opgeslagen. Hij zat met