106 CONSTANCE CHORLEY.
ik in mijn tijd al evenzoo geweest ben als de rest, want toen KRIS drie jaren oud zijnde bij mij stond met de papieren muts op, spelende met het gereedschap nog voor dat hij een hamer kon optillen, dacht ik er even weinig aan hem de hersens uit het hoofd te slaan als om van hem een heer te maken. Maar mijne oogen zijn opengegaan en ik zie dat men aan beide zijden schuld heeft; wat doen wij om die lieden tegen wie wij razen vertrouwen in ons te doen stellen en ons meer op gelijken voet de behandelen? waarom leeren wij onzen kinderen hen te haten en te wantrouwen? Natuurlijk beoordeelen zij ons naar de slechtsten onder ons en wij hen: en voor dat de toestand tus-schen ons kan veranderen, moeten wij elkaâr wederkeerig van de beste zijde leeren bezien. Hoe kunnen wij regtvaardig oor-deelen zoo lang wij den balk in hun oog en slechts den splinter in het onze zien? wij moeten op ons zelven letten en dan eerst zal er verandering komen. Ik heb hierover gedacht, en er rijpe-lijk over gepeinsd toen ik den aanleg en de toenemende bekwaam-heden van KRIS opmerkte en mij zelven beloofd hem in den echten zin des woords tot een flinken en nijveren werkman op te lei-den, hem zoo veel te laten leeren als hij maar kan zonder groen of geel te worden, en vervolgens hem dezelfde kansen te geven als een rijkelui’s kind, dat is te zeggen hem eene goede betrek-king te bezorgen. Zulk eene waar hij lust in heeft en geschikt voor is, en dan zal ik afwachten wat er van wordt. Wat de ambachten aangaat, die hij geleerd heeft, zal het hem een slech-ter ingenieur doen zijn dat hij zonder te meten het juiste mid-den van een of ander vat kan aanwijzen, of met één blik eene groene van eene goede drooge plank onderscheiden?
“Nu en als hij dat dan al is en een rijk man wordt, dan zal hij wel al even onredelijk voor zijn werkvolk worden als de rest?” bromde de landheer.
“Neen, STANDISH, neen,” was het ernstige antwoord, “daar sta ik u voor in, neen! Dat er heeren en meesters opstonden uit hen die zelf hamer en beitel hanteerden om in hun dagelijksch onderhoud te voorzien, en die bij ondervinding de last kennen die zij anderen op de schouders leggen! Dan zou er geen karig loon voor veel werkuren gegeven worden. En waarom zouden wij, waarom