CONSTANCE CHORLEY. 105
“Wat mij scheelt JAKOB VALLON? Ik draag den jongen op het hart, ja op het hart. Ik dacht beter van u. Neen ik kan het niet begrijpen, ik dacht dat ge wijzer waart. Een heer van hem maken! Zijt ge zoo ingenomen met die klasse van men-schen, dat gij er nog een lid aan leveren wilt opdat hij de ar- men ook uitzuige. Is dat uw geest JAKOB? Is dat de geest van Grootvader?”
De aangesprokene bleef zeer kalm, en was daardoor ver bo-ven HUMPHREY verheven.
“Maar hoor eens HUMPHREY, ik doe dit niet zonder ge- gronde redenen daarvoor te hebben.”
“Ik wil ze niet hooren,” riep de Landheer driftig uit. “Re- denen! Gij kunt geene goede redenen hebben, waarom gij een jongen die werkman geboren en daartoe opgevoed is, uit zijn’ stand rukt. Ik zeg het je, de lui daar gij hem onder brengen wilt zullen hem vragen en telkens vragen: “Wat is uw vader?” “Een wagenmaker.” “En wat was uw grootvader?” “Een tim-merman.” “En uw overgrootvader?” “Een ketellapper.” Schoone voorouders voor een heer; wat zeg je KRIS he! Ik zeg u, JAKOB, zij zullen niet van hem gediend willen zien, zij zullen hem met den nek aanzien, en des noods onder den voet treden. Neen ik dacht dat je meer familietrots had.”
“Het spijt mij dat ik het zeggen moet, HUMPHREY STAN- DISH, maar in waarheid ik heb niet veel reden trotsch op mijne familie te zijn. Zij waren meest van dat slag van menschen die aangaan tegen den fatsoenlijken stand, en die hunne eigenen slavernij en ontwetendheid wijten aan hardheden die andere lie-den te verduren hebben, en die zij uitmeten alsof zij zelve ze te dragen hadden; dat soort van menschen neemt tot motto: “mijn zoon zal niet meer zijn dan ik,” zij gedragen zich jaar uit jaar in daar naar, en zouden het niemand vriendelijk afnemen die hun lot in dit opzigt wilde verbeteren. Neen HUMPHREY, ik kan niet roemen op mijne voorouders, maar mijne klein- zonen moeten beter kunnen zeggen. Op de eene of andere manier wil ik dit veranderen; gelukt het mij niet, welaan zij zullen het weten dat JAKOB VALLON de wagenmaker een krach-tige poging daartoe deed. Ik moet tot mijne spijt erkennen dat