104 CONSTANCE CHORLEY.
achtig in elkaâr gesloten en de narcis trillende in het knoopsgat. Voor het laatste had hij zich voor zijn vader geschaamd. Maar toen aller oogen op hem gevestigd waren alsof zij onderzoeken wilden of hij zijn verstand verloren had, wierp VALLON op eens dat zenuwachtig weifelende van zich, legde de handen gevou-wen op tafel, zag zijn zoon met vochtige doch te gelijk trotsche en teedere oogen aan, en sprak met een luide en duidelijke hoe-wel van aandoening bevende stem:
“Ja ik heb bepaald wat ik van mijn zoon maken wil. Geen timmerman, ofschoon ik vast geloof, dat hij zijn gelijke niet vinden zou, zoo ik dit deed; ook geen wagenmaker hoewel – al werd hij dit, hij zijn vader niet zou beschaamd maken. Hij weet veel, doch om te worden wat ik wensch, moet hij oneindig meer weten, veel harder werken en zich meer inspannen dan hij tot dusver heeft behoeven te doen. het is geen ambacht dat ik hem wil laten leeren, maar ik zal hem laten opleiden tot eene andere betrekking.”
“Eene andere betrekking?” riep men van alle kanten. “Ja ik wil hem in de gelegenheid stellen om zich torts den besten daartoe te bekwamen. Ik heb het geld er voor, geld in het zweet mijns aanschijns voor hem gewonnen, en nu zal ik het ook gebruiken. Ja HUMPHREY STANDISH, met Gods hulp wil ik mijn zoon een ingenieur laten worden en een fatsoenlijk man van hem maken.”
KRIS zat onbewegelijk op zijn bord te kijken, niets bemer- kende van de verbazing, den schrik dien de woorden van zijn va- der hadden te weeg gebragt; zijne geheele ziel was één vreugde, een vogel uit de kooi ontsnapt kon zich niet gelukkiger gevoelen in het volle besef zijner vrijheid dan KRIS nu hij door die uit-spraak van zijnen vader aan het stille verlangens zijns harten zag voldaan.
De gastheer stond op, van het hoofd tot de voeten bevende van verontwaardiging en met schorre stem riep hij uit: “JAKOB VALLON ge zijt een gek!”
Zijn zwager zag hem met eenen diep smartelijken doch ge-strengen blik aan, toen hij antwoordde: “HUMPHREY wat scheelt u?”