De Gracieuse 1863 | Page 110

102 CONSTANCE CHORLEY.

“En de zaak is deze dat wij moeten beslissen wat voor eer- lijk handwerk KRIS zal beginnen om zijn brood te verdienen, gelijk zijn vader, grootvader en overgrootvader dat vóór hem deden. Dit is het JAKOB! geloof ik, dat gij wenschtet dat ik tot HUMPHREY zeide, is het niet zoo?”

En de oude man zette zich weêr neder en wischte groote zweetdroppels van het voorhoofd.

“Ja,” antwoordde oom VALLON, “mij dunkt dat grootvader het netjes voor ulieden uiteenzette, en nu STANDISH en MAR-GARETHA wat zegt gij?”

“Ik zeg”, sprak Jufvrouw STANDISH met de armen over elkan-der geslagen en KRIS vol bewondering aanziende, “dat het nooit zoo moeijelijk is geweest om voor een jongen een beroep te kiezen; en waarom? wel omdat hij alle handwerken op zijn duimpje kent. Waar hij die kennis van daan gehaald heeft, dat weet ik niet. Eens zag ik hem aan het maken van LEENTJE’s klein tafeltje en ik zei tegen STANDISH: die jongen is met zijn geheele hart een schrijnwerker; geen minuut later, keer ik mij om en wat zie ik nu? daar is hij zoo waar bezig aan de oude klok die ja- ren lang stil had gestaan en op eens begint zij te loopen en te tikken. Maar Hemel, het is met alles zoo, en zoo als ik zeg: hoe komt hij er aan? Hoe heeft hij van alles verstand van de Latijnsche warboel in zijn spraakkunst tot het binnenwerk eener klok toe. Het gaat hem alles even zeker en gemakkelijk af, en hij kijkt naar de dingen alsof hij zeggen wil: “ik begrijp je al-lemaal, begint maar geene kuren met mij” – en ja, gelooven moet ge het, maar ik verbeeld mij dikwijls dat als ik hem be-neden wacht, de klok beter loopt, en de deuren niet kraken, precies alsof hij er de schrik onder heeft.”

“Nu ja dat is al te maal goed en wel,” zeide de Landheer; “maar een Jantje van Alles moet hij niet worden; twaalf am-bachten worden dikwijls gevolgd door dertien ongelukken en geven geen eerlijk bestaan, dit is zeker.”

“Welnu STANDISH, wat is dan uw gevoelen?” vroeg Oom VALLON.

“Dat hij in zijns vaders zaak ga, en om al die andere dwaas-heden niet meer denke.”