100 CONSTANCE CHORLEY.
discussiën zijner ouders. Heden was het gansch anders met hem gesteld: het was de eerste Zondag nadat hij zijn achttiende jaar was ingetreden en zijne betrekkingen waren bijeen om te be-palen, op welk van al de handwerken die hij verstond hij zich verder zou toeleggen, en daarmede zijn brood verdienen, en reeds bij het onaangeroerde maal, voelde hij onder zijn linker knoopsgat iets onrustigs en gejaagds, zoo iets als hij vroeger niet voelde voor dat hij zijn derde portie pudding genuttigd had. Te vergeefs trachtte hij den schijn aan te nemen van onver-schilligheid, door luchthartig met LEENTJE te praten; maar zijne hand beefde als hij de zwaar gevulde schalen overreikte, en zijne gesprekken waren alles behalve belangrijk. Zijn oom en tante zagen zijn vreemd gedrag en schreven dit aan opgewonden-heid toe, doch het zachte, trouwe oog zijner moeder rustte op hem, en hij las in dien liefdenvollen blik diep innig medegevoel voor hetgeen er omging in het diepst van zijn gemoed. Tot op dezen dag toe was hem alles gelukt, en zijn geheele leven was één voorwaarts treden op den goeden weg geweest. Geene smar-telijke herinnering aan het verledene kende hij. Zag hij op den afgeloopen tijd terug, dan kon hij enkel juichen bij de vorde-ringen die hij gemaakt had, en niets lachte hem helderder te- gen dan de toekomst. Ondervond hij gisteren al eens eene te-leurstelling, heden was de hoop op iets beters weder vervuld.
Maar nu gevoelde hij dat de tijd ook voor hem gekomen was dat dat alles eindigde; dat de luchtkasteelen zich gingen bepalen tot de naauwe grenzen van eene werkplaats, dat de maatschap-pelijke scheidsmuur waarover hij nog altijd had kunnen heenzien opgetrokken zou worden en – turende in de glinsterende dek-sels voor hem, zag hij in den geest eene reeks raadpleging diners uit de verschillende tijdperken van zijn leven, tot in zijn grijzen ouderdom als hij zelf gezeten zou zijn op de plaats die nu zijn vader innam, om te beslissen over het lot van zijn zoon. En zou het altijd zoo blijven gaan? Zouden ook zijne zoons en daarna hunne kinderen aan diezelfde tafel hunne keus moeten doen, of liever zou die daar voor hen gedaan worden, en zou die keus zich blijven bepalen tusschen den hamer en de spade, den winkel of de boerderij?