CONSTANCE CHORLEY. 97
geest kwam, dan zag hij niet het vollemaans gezigt van LEEN-TJE, met de kersroode lippen maar een klein gelaat, zoo zui- ver en zoo teér als de bloesem van den meidoorn, met een fijnen denkenden mond en donkere oogen waar een tevreden edele blik uit sprak, verrees dan voor zijn oog.
XIX.
“Kom LEENTJE,” zeide jufvrouw STANDISH op een’ Zondag morgen terwijl zij een best tafellaken uit de kast nam, “kom kijk eens aan de voordeur of gij nog niets ziet van uw ooms karretje.”
LEENTJE was juist met haar vader en met KRIS uit de kerk gekomen, zij lei dus haar gebedenboek neer, en ging naar vo-ren, maar kwam oogenblikkelijk terug met het berigt dat zij vlak bij waren.
“Mijn tijd, het is immers niet waar,” riep jufvrouw STAN- DISH verschrikt uit, terwijl zij hare muts opzette en een der meest blinkende tinnen deksels voor spiegel gebruikte, zij spoedde zich echter naar buiten, gevolgd door den landheer en KRIS.
“Zijn zij er allen?”
“Ja. Hier is oom VALLON en tante en grootvader en de kleine jongen, en zelfs de viool.” “Wat moeten wij daarmede doen,” bromde KRIS, terwijl hij het langzaam naderen der kar gadesloeg, “of het kind ons niet genoeg muziek zal bezorgen.”
Het viel oom VALLON niet gemakkelijk om de wielen van zijne kar in de diepe sporen die de wagens den vorigen dag gemaakt hadden, te laten loopen. Hij reed daarom half spoor, maar vorderde niet veel, zoodat, als men dat voertuig zoo lui en langzaam zag naderen, men niet gedacht zou hebben dat het zoo vele hongerige magen bevatte zie zeer verlangden naar eenen welvoorzienen disch. Aan den eenen kant, zoo hoog mo-gelijk zat oom VALLON, gekleed in zwart lustre met eene narcis in het knoopsgat, de oogen naar den grond en al zijn aandacht vestigende op het stappen van zijn paard. Zeer laag aan de an-dere zijde zat jufvrouw VALLON, de moeder van KRIS, haar bleek, bezorgd gelaat vertoonde zich achter de prachige muts