De Gracieuse 1862 | Page 341

Deze rok wordt in de rondte gebreid als volgt:

1ste toe. Regt.

2de en 3de toer. Averegts.

4de toer. Met de witte wol, * min-deren, 2 regt, omslaan, 1 regt, om-slaan, 2 regt, minderen *, men herhaalt van * tot * den geheelen toer.

5de toer. Regt, doch de omgeslagen draad wordt als eene steek gebreid.

De 6de, 8ste en 10de toer worden als den vierden toer, en de 7de en 9de als de vijfde toer gebreid.

Men herhaalt nog 5 maal van den eersten tot den tienden toer, met af-wisseling van de roode en witte wol; alsdan breidt men hetzelfden patroon, doch enkel met de witte wol voort, totdat de rok de genoegzame lengte heeft; dan kant men hem af. (Ons origineel is 35 duim lang.)

Het lijfje van den rok wordt heen en weder geheel van witte wol gebreid. Men zet hiervoor 56 steken op.

1ste toer. Regt. 2de toer. Averegts. 3de toer. Regt. Van den 4den tot den 12den toer wordt afwisselend averegts en regt gebreid.

Daarna breidt men afwisselend 2 toeren regt en 2 toeren averegts, waardoor kleine ribben ontstaan, elk van 2 ave-regtsche toeren. Wanneer er aan elke zijde 14 ribben zijn, zet men, na- dat men den laatsten steek heeft ge-breid, 50 steken voor den schouder op, breidt nog 14 toeren met ribben voort, kant den de 50 steken van den schou-der, als ook de nog 12 volgende steken

af. Vervolgens breidt men 30 toeren, alsdan zet men weder 12 steken op waardoor men het volledige getal ste-ken verkrijgt voor het voorstuk van het lijfje. Nadat men nu nog 73 toeren heeft gebreid, is men tot aan het mid-den van het voorstuk van het lijfje ge-komen. Men breidt nu de tweede helft op dezelfde wijze, doch terug gaande de toeren volgende; evenwel breidt men de 12 eerst beschreven toeren niet, daar deze dienen moeten voor een overslag, om de knoopen op te zetten. Na voleinding van de tweede helft naait men de schou-ders aan het voorstuk vast; dan haakt men met de witte wol, om den hals en de schouders een toer: 1 kettingsteek en 1 stokje, doch zorgt vooral hierbij dat het niet uit rekt. Verder werkt men aan de beide zijden van den rug een toer vaste steken, doch maakt tevens aan de regter zijde door eenige ketting-steken knoopsgaten; daarna werkt men met de roode wol een toer vaste ste-ken op de toer stokjes van den hals.

Aan het onderste gedeelte van het lijfje haakt men met de witte wol een boord van 9 toeren vaste steken, en vervolgens rondom dat boord 1 toer vaste steken met roode wol. Aan de regterzijde van de boord maakt men weder twee knoopsgaten. De toer met de roode wol werkt men echter eerst dan, wanneer het rokje met plooijen aan de boord is gezet. Aan de linker zijde van den rug en de boord naait men tegen over de knoopsgaten paarlemoeren knoo-pen op.

HANDWERKEN EN MODES. 53