Men zet 8 kettingsteken op en ver-bindt die tot eene ronding.
1ste toer. 3 kettingsteken, 23 stokjes in de opening van de 8 kettingsteken, 1 losse steek op de derde kettingsteek waarmede men dan toer heeft begonnen. (Met eene losse steek bedoelen wij: men steekt in den steek in, slaat den draad om de naald en haalt hem door beide lussen heen).
2de toer. 5 kettingsteken in den tweeden steek gestoken 1 stokje, * 2 kettingsteken in den tweeden steek ge-stoken 1 stokje, * herhaal van * tot * nog 9 maal; dan 2 kettingsteken, in den derden van de 5 kettingsteken waarmede men heeft begonnen, 1 losse steek.
3de toer. 3 kettingsteken, 4 stokjes in de eerste opening; in ieder der elf volgende openingen 5 stokjes, dan 1 losse steek op de derde kettingsteek van het begin.
4de toer. 7 kettingsteken, in den vijfden steek gestoken 1 vaste steek, dan elf maal 5 kettingsteken, in den vijfden steek 1 vaste steek, en eindig den toer met een lossen steek op den tweeden ket-tingsteek van het begin.
Witte en roode castor wol, dikke stalen breipennen.
Men zet voor den rok 388 steken
5de toer. 10 vaste steken in elke opening, dan 5 losse steken op de eerste vijf vaste steken van den toer.
6de toer. 10 kettingsteken, 1 vaste steek tusschen den vijfden en den zesden vasten steek van den vorigen toer; * 8 kettingsteken, 1 vaste steek tusschen den volgenden vijfden en zesden vasten steek * herhaal van * tot * nog tien maal, dan 1 losse steek op de tweede kettingsteek van het begin.
7de toer. In elke opening 14 vaste steken.
8ste toer. 5 kettingsteken, 1 stokje tusschen den zesden en den zevenden vas-ten steek van den vorigen toer; 4 ketting-steken, 1 losse steek op den eersten ket-tingsteek; den weder 4 kettingsteken, 1 losse steek op den eersten kettingsteek; dan nog eens 4 kettingsteken, 1 losse steek op den eersten kettingsteek en 1 losse steek op den eerst gewerkten lossen steek; zoodat hierdoor die 3 kleine puntjes vereenigd zijn; dan nog een losse steek op het zoo even gewerkte stokje; eindelijk 5 kettingsteken en 1 stokje tusschen den veertienden en eersten vasten steek van het volgende schulpje * herhaal van * tot * nog elf maal.
met de roode wol op. Wil men de rok evenwel naauwer of wijder hebben, dan moet men vooral in acht nemen dat het patroon 9 deelbaar moet zijn.
52 HANDWERKEN EN MODES.
STER VOOR EEN KRAAG.
(Haakwerk). (Plaat XVI, Fig. 4).
ONDERROK VOOR EEN KIND VAN 4 TOT 6 JAAR.
(Breiwerk). (Plaat XVI, Fig. 6).