De Gracieuse 1862 | Page 334

gende vooruitstekende kraal; dan weder 5 kralen aanrijgen en zoo den geheelen toer. De drie volgende toeren: 5 kralen aanrijgen en de draad door de middelste of derde kraal van de 5 kralen van den vorigen toer halen. Dan werkt men 3 toeren met 7 kralen aanrijgen en steekt weder door de middelste van de kralen heen.

Vervolgens 2 toeren met 9 kralen en de laatste toer 10 kralen aanrijgen en weder door de middelste van de 9 kralen doorsteken; hiermede is het net af en gaan wij over tot de kwasten die van onderen den lampen-sluijer versieren.

Men steekt door de eerste 5 kralen heen, rijgt 2 zilveren kralen aan, den een lange gouden, vervolgens 3 zilve-ren, steekt nu de naald terug door de lange gouden en de eene zilveren kraal welke zich van boven bevindt; doch zorgt vooral dat de 3 kralen die van onderen aan de lange kraal bevestigd zijn vooral gelijk blijven, opdat de middelste kraal van die drie, dwarsch onder de twee anderen komt; dan rijgt men 1 zilveren, 1 lange gouden en 3 zilveren kralen aan en steekt weder terug door de gouden en de zilveren; dit laat-ste herhaalt men nog eens, doch steekt dan ook tevens door die zilveren kraal welke men het eerst heeft geregen. Hiermee is eene kwast af. Vervolgens rijgt men door de volgende 11 kralen van den laatsten toer heen en begint

de tweede kwast. Op deze wijze werkt men de geheelen toer.

Nu moeten de drie reken kwasten nog op het net gewerkt worden, het-geen aldus geschiedt: Voor den eersten reek bevestigdt men den draad aan de middelste der 5 kralen van den bo-vensten reek, rijgt deze kwast even als men de kwasten van onderen aan den sluijer geregen heeft, steekt dan de naald door de kraal waaraan men den draad heeft bevestigd (dus door de middelste van de 5 kralen). Daar er tusschen elke kwast eene ruit onbewerkt blijft en het zoo moeijelijk is bij iedere kwast af te hechten, rijgt men den draad door de kralen heen, totdat men op de plaats gekomen is waar de volgende kwast gewerkt moet worden (het zijn 12 kralen welke men door moet rijgen).

Voor de tweede reek bevestigt men den draad aan de middlste der 5 kralen van den vijfden toer, doch men plaatst deze kwasten nu tusschen die van den vorigen toer in, en werkt deze toer op dezelfde wijze als den eerste af.

Nu begint men den derden toer. Hier-voor bevestigt men den draad aan de middelste der 9 kralen van den negenden toer; deze kwast wordt weder tus-schen die van den vorigen toer in ge-plaatst. Deze toer wordt verder als de eerste afgewerkt, natuurlijk met dat onderscheid dat men nu, om de vol-gende kwast te beginnen, door 20 kralen rijgt. (Zie de afbeelding).

46 HANDWERKEN EN MODES.