Hiervoor gebruikt men eene heldere kleur zijde, zwarte zijde en zwart zij- den lint.
Dit zeer eenvoudige en nette werk-zakje zal voorzeker de moeite beloonen.
Voor den bodem van het zakjes snijdt men eene ronde schijft karton, van 15 of 16 duim in doorsnede, en over-trekt die schijf geheel, zoowel de binnen- als den buitenkant met de gekleurde zijde. Daarna snijdt men voor den zak, van dezelfde kleur, 2 banden, ter lengte van 25 tot 26 duim en ter breedte van 17 tot 18 duim. Men naait de kortste einden 12 duim hoog aan elkander; vervolgens naait men de zak aan den binnenkant van de schijft, zoodat er van den naad aan den buitenkant weinig te zien is. Bij het aanzetten van den zak aan de schijf zorgt men dat de naden over elkander komen, daar geen der banden de helft van den omvang der schijf mag overschrijden. Aan den boven-
Men zet hiervoor met haakgaren No. 40 en haaknaald No. 5, 76 kettingsteken op.
1ste toer. 1 vaste steek in den twee-den steek gestoken, 3 kettingsteken in den vierden steek, 1 vaste steek; 5 maal 7 kettingsteken in den zevenden steek, 1 vaste steek; * dan in den vierden steek 6 stokjes met tweemaal omslaan in éénen steek, in den vierden steek
kant van den zak naait men een zoom van 4 duim breed welke men in het midden nog eens doorrijgt, zoodat er eene schuif gevormd wordt; het onderste gedeelte wordt voor de schuif gebruikt, terwijl het bovenste het hoofdje van den zak uit-maakt. De beide zijnaden zoowel als de naad van onderen aan het zakje, bedekt men met een ruche van zwarte zijde, waarvoor men schuine reepen knipt ter breedte van 3½ duim, welke repen men aan beide kanten met kleine puntjes uit-knipt of de draden er van, even als franje, een weinig uithaalt. Men plooit deze repen met stolpplooijen en naait deze ruche om den bodem en aan de beide zijden van het zakje om er de naden mede te bedekken. Door de schuif rijgt men 2 taffen linten, waarvan de einden tegenover elkander moeten han-gen; deze knoopt men aan elkander, doch niet te digt, opdat er nog kleine slipjes overblijven, waar men een franje aan uithaalt.
weder 1 vaste steek; 7 kettingsteken, in den achtsten steek 1 vaste steek *, herhaal van * tot * nog eens, dan 6 stokjes met tweemaal omslaan in den laatsten steek.
2de toer. * 3 kettingsteken, tusschen het derde en vierde stokje 1 vaste steek; 3 kettingsteken, een vaste steek op den vasten steek van den vorigen toer, 3
HANDWERKEN EN MODES. 47
WERKZAKJE.
KANT VOOR ANTIMACASSERS.
(Haakwerk).