De Gracieuse 1862 | Seite 333

van één drie kralen aan (gelijk op de afbeelding No. 4 de kralen met 1, 2 en 3 zijn aangeduid) zoodat bij het aansluiten van de naaste vooruitsprin-gende kraal van den voorgaanden toer, twee van de zoo even aangeregen kralen naar buiten komen. Men werkt vervol-gens de zevende toer gewoonlijk af, als ook de achterste toer; doch om de drie kralen van den vorigen toer te doen aansluiten, haalt men den draad door de kralen welke met 1 en 3 gemerkt zijn en dan, van boven naar beneden, door

Zilveren gegalvaniseerde Bohemer of schelbands-kralen, lange gouden ge-galvaniseerde kralen en dik garen of dun koord om mede te rijgen.

Deze lampensluijer is zeer aan te be-velen, daar hij gemakkelijk te vervaar-digen is en een zeer goed effect maakt. Het is een geregen net van zilveren kralen, met lange gouden kwasten ver-siert.

Men begint deze sluijer van boven aan den rand, rijgt 36 kralen aan en knoopt den draad digt bij de eerst geregen kraal aan, zoodat men een ring vormt. Rijgt nu aan dezen ring nog twee toeren als volgt: 1 kraal aanrijgen en daar de tweede kraal van den eer-sten toer den draad doorhalen, zoo ver-volgt men den geheelen toer, telkens een kraal overslaande. Hierdoor zal men een vooruitstekende en diepliggende kraal verkrijgen. Bij den nu volgenden toer haalt

de kraal die met 2 geteekend is; hier-mede is de achtste toer af. De negende toer werkt men op de gewone wijze af. Door oefening kan men zich voorzeker veel bekwamen n het vermeerderen of verbreeden der banden; zoo ook wan-neer er verbreedingen of versmallingen sneller of langzamer op elkander volgen. Het zoude ons moeijelijk vallen, alle wijzen van bewerking te beschrijven, maar onze lezeressen zullen ook hierin door de ondervinding leeren op welke wijze dit het best en het gemakkelijkst gaat.

men, wanneer de kraal is aangeregen den draad weder door de vooruitste-kende kraal heen.

De bovenkant van dezen vasten rand versiert men met bogen. Men rijgt hiervoor 5 zilveren kralen aan en steekt de draad door de tweede voruitstekende kraal; zóó werkt men den geheelen toer.

Wanneer men nu deze toer af heeft, werkt men nog een toer 5 kralen aan-rijgen, en haalt dan den draad door de vooruitstekende kraal welke men heeft overgeslagen, zoodat nu de bogen half voor elkander liggen; wanneer men deze beide toeren geregen heeft is de rand van boven af.

Het net of den sluijer werkt men aan de andere zijde van den rand in doorloopende toeren. Men haalt den draad door een der vooruitstekende kralen van den rand door, rijgt 5 kralen aan en steekt den draad weder door de daaraanvol-

HANDWERKEN EN MODES. 45

LAMPENSLUIJER.

(Kralenwerk). (Plaat XV).