rigting men de naald door de kraal steekt is op de afbeelding aangeduid. Dan rijgt men de 2de kraal aan en haalt den draad door de kraal die met 4 geteekend is, de 3de door die met 6 geteekend is. Nu keert men het werk weder om en rijgt den 2den toer, zoodat men bij de 3 kralen van deze toer nu den draad door de eenigsints vooruitstaande kralen van den vorigen toer haalt. De afbeelding No. 2
welke het beginnen van den 2den toer voorstelt, wijst de bedoelde 3 kra-len aan, waar men nu weder eene kraal moet aanrijgen; het zijn die welke met 1, 2 en 3 geteekend zijn. Het ove-rige volgt van zelfs.
Vereischt de breedte van het werk een ongelijk getal reken kralen, b. v.
5, zoo rijgt men bij den eenen toer 2 en bij den anderen 3 kralen aan, en wel de 3 kralen zooals de afbeelding No. 3
voorstelt. Na-dat men name-lijk op vroeger beschreven wij-ze de twee kra-len aan de vooruitsteken-de kraal heeft
aangehaald,
rijgt men de 3de kraal aan,
en haalt de draad in plaats van door eene kraal door den draad welke zich van boven door het beginnen der reken heeft ge-vormd, vast, en steekt alsdan de naald door de zoo even aangehaalde kraal terug, zooals
de afbeelding (No. 3) aanduidt. De laatste kraal van deze reek behoudt hare zelfde regting, zoodat dan de draad weder van onderen aan de kraal uitkomt en de volgende toer weder op de gewone wijze begonnen kan worden. Door de zoo even beschreven bewerking vormt de draad van boven aan de eene zijde van den rand een kettingsteek, mar aan de andere zijde, waar men de toeren op de geweone wijze werkt, zijn het naast elkanderliggende steken die zich even als stiksteken voordoen. Men gebruikt deze wijze van aansluiten ook bij het verminderen der reken. Wanneer men b. v. eene rondte werkt geschiedt deze aansluiting niet van buiten aan de laatste kraal van de reek, maar tusschen de twee kralen van den vorigen toer in, op de plaats waar zich de laatst gewerkte kraal van dien toer bevindt.
Het vermeerderen of verbreeden der kralen-reken is duidelijk voorgesteld door de afbeelding No. 4. Deze afbeel-
ding is eene mosaïkrand van 6 kralen breed, waar 6 toeren in gelijke breedte gewerkt zijn, doch die bij de zevende toer met één kraal verbreed wordt, zoodat hij nu zeven kralen breed is. Om den rand te verbreeden rijgt men bij het beginnen van den 7den toer in plaats
44 HANDWERKEN EN MODES.