De Gracieuse 1862 | Page 324

Haakgaren No. 40, haaknaald No. 4.

Men zet 20 kettingsteken op, maakt het tot eene rondte en werkt er 40 vaste steken in.

1ste toer. 9 kettingsteken, in den vijfden steek gestoken 1 vaste steek, herhaal dit nog 7 maal; dan knipt men den draad af.

2de toer. Men begint op de middelste steek der negen kettingsteken van den voorgaanden toer met 1 vaste steek * dan 11 kettingsteken en weder 1 vaste steek op den middelsten steek der volgende negen kettingsteken * herhaal van * tot * de geheele toer.

3de, 4de, 5de en 6de toer worden zonder meerderen met vaste steken ge-haakt doch men keert bij elken toer het werk om, en steekt in de achterste lus in, daar deze geheele ster met rib-ben gewerkt is, zoo als de afbeelding aanduidt. Bij den laatsten steek van elken toer neemt men tevens de eerste van den toer op en haakt die te zamen, daar er anders door het omkeeren der toeren eene opening zoude ontstaan. Na het werken van den 6den toer knipt men den draad af.

Vervolgens werkt men 3 vaste steken boven de drie middelste steken der 9 kettingsteken van den eersten toer. Men keert het werk om, 1 kettingsteek 5 vaste steken in den eersten en den laatsten steek 1 steek meerderen, zoo gaat men voort tot er 21 vaste steken zijn, altijd bij het begin van den toer een ketting-

steek werkende. Dan steekt men in den tweeden steek in en werkt 9 vaste steken, dan 5 stokjes in den middelsten steek gestoken van den toer der 17 vaste steken, zoodat nu de stokjes over 2 toeren liggen; dan weder in den twee-den steek gestoken 9 vaste steken. Bij het afminderen steekt men talkens in den tweeden steek en laat de laatste steek onbewerkt; ook werkt men bij het begin geen kettingsteek. Elke toer wordt met 2 steken afgeminderd totdat men weder 3 steken heeft, hiermede is één gedeelte afgewerkt. Dit moet nog 7 maal herhaalt worden, telkens weder te beginnen op de drie middelste ste-ken der 9 kettingsteken boven het mid-denfiguur.

Dan werkt men de laatste toer op deze wijze er om heen: 1 vaste steek in den middelsten steek der onbewerkte vaste steken van den 6den toer tusschen twee der vierkanten in, verder om het geheele vierkant 2 kettingsteken 1 stokje op elke ribbe, doch van boven en daar waar het vierkant op het breedste is, meerdert men eens door 2 kettingste-ken en 1 vaste steek in dezelfde steek te werken. Wanneer men nu langs het ge-heele vierkant heeft gewerkt, haakt men weder 2 kettingsteken en 1 vaste steek op de middelste steek der onbewerkte vaste steken van den 6den toer die zich tusschen de vierkanten gedeelten bevin-den. Wanneer men bij het tweede en ook bij de volgende vierkanten gekomen is daar waar zji op het breedste zijn, ver-

36 HANDWERKEN EN MODES.

STER VOOR ANTIMACASSERS.

(Haakwerk). (Plaat XI, Fig. 1).