Rose, witte en zwarte wol. Groote kristalkralen. Gordijnkoord. Een beenen en een houten haaknaald; de beenen No. 16 en de houten No. 22.
Dit kleedje bestaat uit twee afzon-derlijk gewerkte deelen, namelijk de grond en den rand.
De grond wordt met de beenen haak-naald gewerkt, in het midden begonnen en geheel over gordijnkoord, met vaste steken in de rondte gehaakt, uitgeno-men de drie laatste toeren, welke niet over het koord gewerkt worden.
Men neemt het koord en werkt er met rose wol 12 of 14 steken over heen, dan maakt men het tot eene ronding. In de volgende 18 toeren steekt men altijd in de achterste lus van den vorigen toer, doch men neemt telkens zooveel steken meer in elken toer als er noodig zijn om de rondte goed plat te houden. Na het einde van den 19den toer (het opzetten me-de gerekend) heeft het werk een diameter van 19 duim. Men snijdt nu het koord af en hecht het aan de achterzijde vast. Nu werkt men nog 3 toeren stokjes, doch zorgt ook hierbij dat de rondte
niet trekt of te ruim wordt. Met deze 3 toeren is de grond van het kleedje af: het heeft nu ruim 24 duim in door-snede; evenwel doet men beter de grootte te nemen naar den voet van de lamp waarvoor men het bestemd heeft.
Voor den rand, die even als de grond van het kleedje over koord gehaakt wordt, zet men met rose wol zoo veel steken op, als de laatste toer van den grond van het kleedje heeft (het be-schrevene heeft 240 steken) en maakt het tot eene rondte.
1ste toer. Over het koord 20 rose en 10 witte vaste steken. Zoo de toer rond.
De volgende 7 toeren van den rand werkt men telkens aan beide zijden een steek rose minder en een witte meer, zoodat men bij den 8sten toer 6 rose en 24 witte steken heeft. Men knipt het koord af.
Wij voegen hier nog bij dat men in dan rand niet meerdert of minderdt, maar alleen door het aanhalen van het koord in den rand, den vorm aan het kleedje geeft.
Nu volgt een toer vaste steken van 1 zwarte en 1 witte steek. Vervolgens
HANDWERKEN EN MODES.
LAMPEKLEEDJE.
(Haakwerk). (Plaat V, fig. 1).