BARBARA UTTMAN (1574).
Als men in de oude vlaamsche steden, vooral te Mechelen en Brugge, door de achterstraten gaat waar de armen in kleine huisjes wonen, dan ziet men, vooral als het zomer is en de zon schijnt, in de geopende huisdeur op lage bankjes vrouwen en meisjes zitten, die haar werk met behendige vingers en met eene onbegrijpelijke vlugheid verrigten: zij zijn bezig met kant-klossen.
De klosjes glijden en klapperen, verdwijnen en verschijnen weder; op de straatsteenen, waartusschen niet zelden het gras ontspruit, kletteren de hollebolkjes of houten klompjes van de spelende kinderen; hoog in de lucht klinkt elk kwartiers uur van den toren op de markt het klokkenspel; en de vlijtige vrouwen met spaansche wezenstrekken en nederduitsche namen maken de prachtige volants, heerlijke mantillas en fraaije voiles die in den volgende winter op diners, bals en casinoos op schitterende atlaszijde zullen vallen, zich om blanke schouders zullen slingeren of op gladde haren zullen rusten.
Dagelijks en zeker nergens meer dan dáár kan men dat kant-klossen in Belgie zien, maar ook in Duitschland wordt dat be-drijf uitgeoefend, hoewel niet gelijk in Belgie in eene bloeijende vlakte nabij de zee, maar hoog boven in het saksische Ertsge-bergte. Wie daar voor het eerste maal een woonvertrek binnen-treedt, wordt ten hoogste verrast door het gezigt van die druk bezige leden der familie, van de zesjarige kinderen af tot de grijze grootmoeder toe: allen zijn ijverig aan het klossen van kant. Behalve het klapperen der houten klosjes hoort men niets dan als er eens gewed wordt wie het meeste werk in den kort- sten tijd doet. Doch dit kantklossen geschiedt slechts in den winter in de woningen: ’s zomers vereenigen de vrouwen zich om in de opene lucht in de schaduw der boomen te arbeiden. De mannen werken dan slechts mede als zij geen arbeid in de mijnen kunnen vinden, wat in den zomer zelden doch in den winter veelal het geval is: dan scharen zij zich ook om de tafel waarop in de lange winteravonden een flaauw lampje brandt