BROODKRUIMELS. 265
woord: Dassenberg. Daar echter nu de dominé’s vrouw even wijs was als de goedgunstige lezer en minstens even nieuwsgie-rig, zag zij haren man met vragende oogen aan en deze stopte eene versche pijp, verliet de plaats naast zijne vrouw en begon, terwijl hij met groote schreden heen en weer stapte, het vol- gende verhaal.
“De vorst van B. reisde naar zijne residentie terug. Niet ver van de grenzen van zijn gebied moest hij overnachten; er is daar geen logement voor vorsten, want hoe zou een Door-luchte het maken binnen de enge ruimte der kleine herbergen. Zijn kamerheer heeft echter reeds raad geschaft; hij treedt toe op een deftig heerenhuis, dat door tuinen omgeven in het dorp zich verheft, heeft spoedig den naam des bewoners gevraagd, en verzoekt nu met hoofsche fijnheid en vrijheid om huisves- ting voor den vorst en diens klein gevolg.
Het wordt toegestaan; de vorst wordt door de bewoners van het huis zoo hartelijk en vriendelijk ontvangen, dat hij eerst laat op den volgenden dag zijne reis voortzet. De koopman echter, bij wien hij overnachtte, heeft niet gedacht zoo als die waard in Ostende die zich voor de thee, welke eens de koning van Hannover bij hem gebruikte twaalf Louis d’or liet betalen, en op de vraag of dan de thee bij hem zulk eene zeldzaamheid was, ten antwoord gaf: “niet de thee, maar de koningen!” Want hij was werkelijk gelukkig eenen vorst geherbergd te hebben, en zou gaarne bij het afscheid nemen gezegd hebben: “Ei, blijf nog eenige dagen,” of “tot wederziens.”
Eenige weken later wordt hem uit de residentie van zijnen gast eene groote kist gezonden, en daarin een prachtige kroon-luchter, dien de koning hem, luidens het vereerende bijschrift, als een bewijs van vriendschap aanbiedt. Zoo als gezegd is, de kroonluchter was een prachtstuk; het rijke verguldsel, het glan-zige kristal, de sierlijk vorm, de buitengewone grootte, alles doet zien – dat is een vorstelijk geschenk. En wanneer de goede lezer denkt, dat de vorst van B. eigenlijk zijn nachtle- ger nog duurder betaald heeft dan de vorst van Hannover den thee, zoo heeft hij geen ongelijk en toch ook geen gelijk, want schenken en betalen zijn tweeërlei zaken. Maar wat wel