BROODKRUIMELS.
Onder dien titel verschenen voor lang reeds in Duitschland, in een maandschrift, regt leerzame en onderhoudende stukjes; eenige daarvan zijn te lokaal dan dat de vertaling er van nut- tig zou kunnen zijn, andere daarentegen schenen mij toe brood-kruimels, zoo smakelijk en voedzaam tevens, ook voor Holland-sche magen, dat ik het waag ze te onderwerpen aan den smaak onzer lezeressen, met den stillen wensch dat deze ze mogen erkennen als kruimkens die spreken van een brood des le- vens van den hemel, gekomen, om der wereld het leven te geven.
I. DASSENBERG.
Wat mag dat beduiden? Een dassenhol weet ieder wel te vinden, maar een dassenberg heeft wel niemand ooit hooren noemen. De lezing van het volgende moge den nieuwsgierigen lezer hieromtrent opheldering geven.
In eene kleine vriendelijke pastorie in Westphalen zaten, niet lange na hunne bruiloft, de jonggetrouwden bijeen, en bezagen nog eenmaal de bruiloftsgeschenken en liederen van vrienden en verwanten. De jonge vrouw had van eene haar lieve vriendin een keurig schelkoord gekregen, met zilver en zijde bestikt; en juist dit geschenk werd met bijzonder veel welgevallen door haar beschouwd, naar het licht gekeerd, in de zon gehouden, toen plotseling een zweem van verdriet haar vrolijk oog kwam verduisteren – het oude verkleurde behangsel hunner pronk-kamer stak zoo vreeselijk af bij de frissche stralende kleuren van het borduursel.
Daar echter haar man zeer scherp ziet, ’t mag zijn om de vier oogen die hij gebruikt, of wel omdat hij toen veel oplet-tendheid schonk aan de blikken zijner vrouw, bemerkte hij die wolk van misnoegen en raadde ook de oorzaak; hij greep het schelkoord, pakte het, zoo goed en kwaad hij kon in de doos, sloot het deksel en schreef daarop toen met groote letters het