BOOZE TONGEN.
De zucht tot babbelen en kwaadspreken wordt hoofdzakelijk op rekening der vrouwen gesteld, en er waren en zijn nog altijd veel menschen, voor wie de benaming “kwaadspreekster” en “oude jonge jufvrouw” bijna eensluidend is. Wel verre van hier de vrouwelijke “booze tongen” te willen de les lezen, hou-den wij ons toch voor geregtigd tegen dit oude vooroordeel te velde te trekken, dat toch wel ter wille van zijn ouderdom niet geheiligd zal worden geacht. Ware het mogelijk in de jaarlijks verschijnende statistische tabellen der verschillende landen van Europa eene rubriek “booze tongen” op te nemen, dan zou het zeker blijken dat de vrouwen daaraan geen grooter contin-gent leveren dan de “heeren der schepping.” Maar al staan man-nen en vrouwen volkomen gelijk in het onheil dat zij stichten, dan is toch het kwaadspreken voor den man in ons oog nog verachtelijker dan voor de vrouw.
De man heeft in de meeste gevallen een beroep, dat hem be-zighoudt, hem staan allerlei middelen ten dienste tegen de vijan-dige verveling, zijn gedachtenkring, zijne geheele wijze van zien, is door opvoeding en door velerlei punten van aanraking met de buitenwereld, meer uitgebreid; en vertoont zich bij hem de zucht om het doen en laten zijner medemenschen te bespieden en dit tot het voorwerp zijner kwaadwillige opmerkingen te maken, dan spreekt daaruit onloochenbaar, een laag, onedel ka-rakter. Anders is het met de vrouw, die niet zoo vele hulpbron-nen heeft. Is haar leven stil en belangeloos, dan gelooft zij al- leen wat afwisseling in het eentoonige te brengen, wanneer zij – en aanvankelijk geheel onschuldig – hare buren en bekenden tot het doel harer opmerkingen maakt en daaruit de stof put tot hare gesprekken.
“L’appétit vient en mangeant,” zegt de Franschman, de smaak voor die soort van gesprekken neemt toe naarmate men er zich meer aan overgeeft; het bespiedde of beluisterde wordt op pikante wijs, met allerlei bijvoegsels oververteld, en eindelijk wordt het met de waarheid niet meer zoo naauw genomen, men