DEUGD EN ONDEUGD. 261
En met kwistige hand biedt zij rijkdom, genot:
Alle gaven der weelde, een zorgeloos lot.
Met spottenden lach ziet zij neêr aan haar zij
Op de ernstige Deugd in zoo stijf een kleedij;
Maar wier rustige blik en verheven gelaat,
’t Verborgene schoon van haar wezen verraadt.
Ook deez’ neemt nu ’t woord: “Wis, het pad dat ik toon
“Lokt den vreemdling niet immer door uiterlijk schoon.
“Vaak toch is het steil en met doornen bezet,
“Die pijnlijk hem wonden bij iederen tred.”
“Maar hem die mij volgt, niet kleinmoedig vertraagt;
“Het leed, valt ’t ook zwaar, met gelatenheid draagt;
“En, ’t oog op het eind, spreekt: hoe zwaarder de strijd
“Hoe schooner de kroon, den verwinner bereid.”
“Hem treed ik ter zij, wen de lijdensnacht daalt,
“Verstrek hem tot ster die hem troostend bestraalt;
“Tot staf, die zijn matten en wanklenden voet
“Met zorgende liefde voor struikelen hoedt.”
“Geef onspoed den wereldling naamlooze smart,
“Berusting blijft immer mijn vrienden in ’t hart;
“Verwenscht onder rampen de zondaar zijn lot,
“Mijn volg’ling draagt zwijgend – ja dankt nog zijn God.”
“Volg d’ Ondeugd: – haar bloemen bevatten venijn;
“Haar lach verbergt kommer; haar vreugd is slechts schijn;
“Aan ’t eind van den weg verlaat ze u met hoon
“En wijst u een peillozen afgrond ten loon.
“Kies mij tot uw leidsvrouw: – ik voer bij de hand,
“Langs ’t moeilijke pad u naar ’t heerlijke land,
“Waar de eerkroon den moedigen strijder verwacht;
“Waar vreugd komt na leed en een juichtoon na klagt.”