260 DE TWEE WITTE ROZEN.
u vooruit, al ware het slechts om de vreugde, welke ik reeds onder mijn’ nieuwen naam gesmaakt heb, van overal ontvangen te worden. O, mevrouw! Als ik dezen avond sterven moest, zou ik niets meer te wenschen over hebben.”
“Kan niets u dan weerhouden?”
“Niets, mevrouw.”
“Volg dan uw noodlot,” zeide zij treurig en zij gaf hem zijn afscheid met de bijvoeging: “Geluk RICHARD van York.”
Toen de jongeling vertrokken was, mompelde zij: “Voor het eerst van mijn leven hebben mijne lippen eene onwaarheid ge-sproken; o, mijn God! kan dat ooit tot geluk leiden?” Zij bleef een oogenblik in gepeins verzonken, doch spoedig de denk-beelden welke haar bestormden, verdrijvende, riep zij uit: “Wat gaat dat alles mij aan als ik slechts gewroken word!” En zij ging zich in hare huiskapel opsluiten waar zij meestal met de herinnering aan haar’ broeder en haar’ echtgenoot leefde.
In hetzelfde oogenblik zeide STANLEY tot zijn’ knecht WILLIAM;
“Binnen acht dagen zijn wij in Ierland; binnen vijftien in Schotland; binnen twee maanden in Engeland; binnen drie hebben wij de kroon in onze magt en bestuur ik in naam van RICHARD IV, die zich tegenover mij niet nederig genoeg zal kunnen gedragen.”
“En ik?” mompelde WILLIAM.
“Gij zult zijn eerste intendant worden.”
DEUGD EN ONDEUGD.
Met luchtigen tred, met een lagchend gelaat,
De sierlijkste vormen in ’t schoonste gewaad,
Treedt de Ondeugd der dartele jeugd in het spoort
Houdt lokkend een glansenden spiegel haar voor.
Zij wijst naar een weg, breed, met bloemen getooid
Zoo geurig en kleurig op ’t voetpad gestrooid;