258 DE TWEE WITTE ROZEN.
mel met gouden bijen die voor haar was opgerigt. Zij was eene vrouw van ongeveer veertigjaren leeftijd. Haar gelaat teekende diepe treurigheid veroorzaakt door het verlies van al hare liefde en hoop. Hare kleeding verhoogde hare ernstige en vorstelijke schoonheid; een zwart fluweelen kleed met hermelijn bezet omgaf hare hooge en trotsche gestalte; een wit hoofdsier-sel, bedekt met een’ langen zwarten sluijer, treurig zinne- beeld van haren vroegtijdigen weduwstaat, verborg haar voor-hoofd dat met vroege rimpels was doorgroefd; geen diamant, geen edelgesteente sierde haar: eene enkele witte roos was aan hare borst gehecht. De hertogin glimlachte tegen een jongeling die haar vergezelde. Deze was bevallig gehuld in een wit satij-nen wambuis en leunde trotsch op zijn degen die met edelge-steenten was versierd. Toen de hertogin plaats genomen had, wees zij hem een zetel aan hare regterzijde onder den troonhe-mel aan, gaf toen den wapenheraut een teeken en daarop kon-digde deze aan:
“De Hoog-edele en magtige vrouwe van York, hertogin-we-duwe van Bourgondië zal hier het woord voeren.”
De beweging veroorzaakt door het binnentreden van de her-togin en haar’ medgezel, maakte voor diepe stilte plaats en elk leende een aandachtig oor. De zuster van EDUARD IV stond op, zag om zich heen en ving aan:
“Edele heeren, uwe verwondering zal groot geweest zijn, toen het bevel om u hierheen te begeven u gewerd en het niet door uwen nieuwen vorst was uitgevaardigd. Doch wij hebben gemeend dat wij met zoo te handelen onzen eed niet schonken, want wij hebben daartoe zijne geloofsbrieven en de zekerheid van zijne toestemming erlangd. Het is Bourgondië niet meer op welks verdediging het aankomt, want Bourgondië heeft met KAREL DEN STOUTE den laatsten adem uitgeblazen; maar een geslacht dat altijd onze vriend en bondgenoot was, het huis van York, mijn stamhuis, ’t welk mijn dierbare gemaal en heer zoo moedig verdedigd heeft, dat nu door mijnen mond uwe hulp inroept. Moordenaars dooden niet altijd; somtijds weer-houdt God hun’ arm en JAMES TYRREL heeft gebeefd, toen hij gereed stond de kinderen van EDUARD op te offeren. Een hun-