DE TWEE WITTE ROZEN. 257
“RICHARD of PERKINS, ik zal u toch liefhebben, vader.”
De grijsaard drukte zijne handen.
Mogen God en ESTHER mij vergiffenis schenken, indien gij ongelukkig zijt, kind; doch wat mij betreft, ik zou het mij zelven nimmer vergeven.”
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Twee uren later vertoonden zich drie ruiters voor de Parij- sche poort en lieten op bijzondere vergunning van den Gou-verneur van Brugge de ophaalbrug voor zich zakken, waarover zij haastig heenreden. Zoodra zij op den weg gekomen waren, bragten zij hunne paarden in galop en verdwenen in de duisternis.
II. DE HERTOGIN VAN BOURGONDIË
Omstreeks eene maand na de komst van Lord STANLEY te Brugge heerschte er groote beweging onder den Bourgondischen adel. Een bevel van de hertogin-weduwe MARGARETHA van York, de weduwe van den wakkeren doch ongelukkigen KAREL DEN STOUTE, riep tegen den eersten Maart 1492 alle adelijken bijeen in haar paleis te Tonnerre, in naam van Aartshertog MAXIMILIAAN de vader en voogd der wettige erfgenamen van het hooge leen van Bourgondië. Van het aanbreken van den dag af omringden gewapende lieden in blinkende wapenrusting het kasteel als met een’ golvenden cirkel; heeren, vergezeld van hunne schildknapen, stroomden in menigte toe, want niet-tegenstaande de verbeurdverklaring van de Bourgondische do-meinen door den listigen LODEWIJK XI, waren eene menigte vassalen, moedig geworden onder het ridderlijke bestuur van KAREL VIII, het huis van Bourgondië getrouw gebleven. Jong en oud, elk snelde toe om vermogen en zwaard der edele vrouwe die hen riep aan te bieden, en vroegtijdig waren allen bijeen in de vergaderzaal der Staten.
Toen de klok der kapel twaalf uur sloeg, werden de vleugel-deuren geopend en een wapenheraut kondigde de komst der edele hertogin en vrouwe van Bourgondië met luider stemme aan.
De hertogin trad binnen en nam plaats onder den troonhe-