256 DE TWEE WITTE ROZEN.
PERK tot zich – “gij hebt gezegd: ““Die JOZUA WARBECK is arm, de gouddorst bezielt hem, wij zullen hem zooveel geven dat hij ons zijn kind afstaat.”” O, gij hebt u bedrogen, mijne heeren.”
“Neen, meester JOZUA, dat hebben wij niet gezegd; maar uwen regtmatigen haat tegen den koning van Engeland ken-nende, hoopten wij u in de gelegenheid te stellen om wraak te nemen.”
“En zijt gij er zeker van dat gij zoudt zegepralen indien ik PERK aan u afstond?” vraagde de grijsaard met kalmte.
“Dat zijn wij.”
“Vader,” zeide de jongeling met drift, “geloof dien edelen heer; waarom zou hij ons bedriegen? Denk eens welk een heer-lijke toekomst, voor u: vermogen, grootheid; – voor mij: strijd, een hof, feesten, een troon: alles waarvan ik droomde. O va- der, gij hebt beloofd mij gelukkig te zullen maken! gij kunt het; laat deze gelegenheid niet voorbijgaan, zij keert niet weêr; ik zou het misschien besterven.”
JOZUA zuchtte.
“Och, vader, stem toch toe, ik zou er zoo trotsch op zijn in naam der mijnen het onregtvaardige vonnis, dat ons arm gemaakt en verdreven heeft, te kunnen wreken.”
De oude WARBECK haalde zijne schouders somber op; vervol-gens zijn zoon naar Lord STANLEY schuivende:
“Gij zweert, mylord, dat hij geen gevaar zal loopen? Voor God staat gij mij daarvoor borg? – Komaan,” zeide hij tot het kind, dat uitgelaten was van vreugde en trotschheid: “wees gelukkig.”
“Wij rekenen op uwe bescheidenheid, JOZUA,” zeide Lord STANLEY, “herinner u dat er voortaan geen PERKINS WARBECK meer bestaat; RICHARD IV, van York, heeft hem vervangen en zijne edele tante, de hertogin van Bourgondië, heeft mij gelast hem morgen bij zonsondergang naar de abdij van St. Michiel de Tonnerre te brengen. Op weg dus mylord!”
PERKINS, wiens trots zijne innige liefde voor zijn vader nog niet had kunnen onderdrukken, liep met geopende armen naar hem toe en zeide: