De Gracieuse 1862 | Page 263

DE TWEE WITTE ROZEN. 255

“Van niets van dat alles,” zeide de jood verbleekende, “want ik ben niet magtig genoeg om mijn verloren vermogen, mijne vrouw die van droefheid gestorven is en mijne verbanning uit mijn vaderland te wreken.”

“Wie weet,” zeide mylord. “Antwoord eerst: is dat uw zoon?”

“Ja, de eenige welken mijne arme ESTHER mij nagelaten heeft.”

“Welnu: sta dien zoon aan mij af en in naam van de bloem van den Engelschen adel beloof ik u van hem een koning te zullen maken; en HENDRIK VII, de trotsche TUDOR, die de jo- den verdreven en de barons van zijn rijk onderdrukt heeft, zal vallen om nimmer weder op te staan.”

JOZUA trad verwonderd terug, terwijl PERK een blik vol brand-dende nieuwsgierigheid op den vreemdeling vestigde.

“Neen, dat is onmogelijk,” zeide de vader, “deze heer wil schertsen.”

“Zie ik er naar uit om te schertsen?” vraagde de vreemde- ling zijn kouden, gebiedenden blik op den jood vestigende, terwijl hij met zijne hand het gevest van zijn langen degen heen en weder schudde.

“Maar om kort te gaan . . . .”

“JOZUA WARBECK, uw zoon is het sprekende evenbeeld van den jongen RICHARD, die verraderlijk in de Tower vermoord werd door JAMES TYRREL. Zie: hij heeft het breede voorhoofd der YORKS, hun fieren, trotschen mond, hunne lichtblaauwe oogen; ja zelfs het hoofd laat hij even als EDUARD IV naar de regterzijde hangen. Laat mij begaan JOZUA en vóór het jaar ten einde is, zal RICHARD voor geheel Engeland herleven en met de wapenen in de hand voor den troon van zijn vader opeischen. Lord STANLEY biedt u eene der schoonste kroonen van geheel Europa voor uw kind aan.”

JOZUA stond sprakeloos van verbazing; PERKINS hield met blozende wangen en ingehouden adem de handen zijns vaders in de zijne geklemd. De grijsaard kreeg toen hij hem aanzag een lach van trots op zijn gelaat; maar weldra hernam hij treurig en driftig:

“Neen . . . Gij wilt mij mijn kind ontnemen,” – en hij trok