DE TWEE WITTE ROZEN. 253
Maar vergeef mij, mylord, gij loopt zoo hard dat gij de deur voorbij zijt; wij zijn hier in de rue de Nazareth en dit is het huis van den ouden JOZUA.”
En WILLIAM toonde zijn’ meester een’ gang zoo naauw dat men er naauwelijks door kon, aan welks uiteinde alleen een flaauw lichtje toonde dat de bewoners van dit verblijf nog op waren. Mylord keek door het doffe, berookte glasruitje. Twee mannen bevonden zich in een laag kamertje, dat volgepropt was met verschillende koopwaren. Een grijsaard die voor een tafel zat, scheen eenige rekeningen in orde te brengen; maar zijne aandacht was elders en telkens wierp hij zijnen medgezel blikken toe, waarin toorn en onrust om strijd kampten. Deze, een jongeling van vijftien à zestienjarigen leeftijd, doorliep de kamer met groote ongeduldige stappen van het eene einde tot het andere. Zijn gelaat was voornaam en edel, zijne gestalte hoog en krachtig en zonder zijn bruin lakensch wambuis, dat met een lederen gordel gesloten was, zou men gezegd hebben dat hij van aanzienlijke afkomst was.
“Vader,” zeide hij eindelijk tot den grijsaard, die hem steeds met zijn’ blik volgde, “ik geloof dat gij mij iets wilt zeggen; ik ben ter uwer beschikking.”
De vader schudde zijn hoofd dat misschien meer door tegen-spoed dan door de jaren vergrijsd was.
“Ja, PERKINS, ik moet u spreken en wel om u te berispen. Eenige dagen geleden hebt gij de winkeldeur gesloten en u in uwe kamer verscholen, omdat gij den ridder DE CHATILLON het kamelot, dat ik voor hem gekocht heb, niet wildet verkoopen; gij schaamdet u de koopmans-el te behandelen. O! PERK, PERK, uwe trotschheid is groot; pas op zij zal u in het verderf storten.”
PERK rolde zijne wollen muts ongeduldig door de hand.
“En waar hebt gij van daag den halven dag doorgebragt? Met door de stad te zwerven om naar de fluweelen kleederen en de wapperende vederbossen der heeren te kijken. En dat is niet alles: terwijl uw oude vader ligchaam en ziel afsloofde om u rijk te maken, wildet gij hem verlaten.”
PERKINS maakte eene beweging.
“Gij verwondert u dat ik zoo goed ben ingelicht. Gij hebt