DE TWEE WITTE ROZEN,
UIT HET FRANSCH DOOR
H. A. KROONEMAN.
I. VADER EN ZOON.
De avondklok had reeds lang geluid. Een digte nevel, die zich in een fijnen, kouden regen begon op te lossen, omhulde de stad Brugge; enkele lantaarns wierpen een flaauw, roodachtig schijnsel van zich en de stilte werd om ’t kwartier alleen afgebroken door het trompetgeschal van den torenwachter. Twee mannen bijna verscholen onder hunne breedgerande hoeden en wijde mantels, liepen echter haastig door de hoofdstraat der stad. Toen zij door de wacht aangehouden werden, omdat zij zich op dit ongewone uur op straat bevonden, hadden zij den kapi- tein slechts eenige woorden in te fluisteren waarop deze zijn hoofd eerbiedig ontblootte, terwijl hij tot zijne manschappen zeide: “Laat passeren.” Weldra verdwenen zij in dat gedeelte der stad, ’t welk toen bekend was onder den naam van Jodenwijk.
“Een ellendig nest, heer WILLIAM,” zeide een dier geheim-zinnige wandelaars. “Het is hier zoo donker als in de hel . . . . Maar gij hebt mij ten minste borg gestaan voor den uitslag der onderneming; want op uw woord heb ik Engeland verlaten om deze zaak zelf te komen besturen . . . . Bij mijne ziel men kan hier geene hand voor de oogen zien; ik struikel bij elke schrede en geloof niet dat de oogen van TUDOR’S spionnen scherp genoeg zijn om mij in zulk eenen nacht te herkennen.”
“Mylord kan gerust zijn,” hernam WILLIAM; “bovendien is het gouvernement op onze hand en wat den persoon betreft welken wij gaan bezoeken, gij zult getroffen zijn door zijne ge-lijkenis . . . . . Lady GREY zelve zou er door misleid worden . . . . .