De Gracieuse 1862 | Page 259

SPAANSCHE DAMES. 251

vier- of vijfentwintig jaar, in engelsch reiskostuum, met een engelschen honger en engelsch sans-gêne. Terwijl de Havanne-schen met hare waaijers wuifden, at de schotsche haar schildpad-densoep, ja zelfs aardappelen en roastbeef en . . . . ik weet zelf niet meer wat, want toen ik haar ook portwijn zag drinken, kon ik niet langer haar aanzien, en bleef ik mijne aandacht wijden aan de Havanneschen. De Schotsche was in mijne schat-ting de leelijkste vrouw op aarde.

Den anderen morgen vroeg vertrokken we met de boot naar Lissabon. De Havanneschen bleven in Spanje; de Schotsche repatrieerde met dezelfde gelegenheid als wij en het was met zekeren wrevel, dat ik haar op het dek der stoomboot ontmoette, haar en haar zeventigjarigen vader en de altijd beschonkene jufvrouw van gezelschap, wie zonderling gedrag ons drie dagen lang een raadsel was geweest tot dat het op de beperkte ruimte van de stoomboot bleek wat er de oorzaak van was.

Den eersten dag bleef de Schotsche leelijk; den tweeden was zij tamelijk – na vier dagen was zij, als de eenige dame aan boord, bijne eene beauté in de oogen harer medereizigers. De concurrentie had opgehouden; zij had het monopolie der hulde.

Op een avond met haar op het dek wandelende en sprekende over Cadix, vroeg ik of zij zich ook die dames uit Havanna herinnerde. Eerst wist zij niet wie ik bedoelde, maar langza-merhand werd haar geheugen op dat punt sterker en toen wij vijf minuten gesproken hadden over de twee meisjes, die haar tijdelijk tot een monster hadden gemaakt, had zij mij ten volle overtuigd, dat die dametjes eigenlijk leelijk waren.

Maar dat kan niet . . . . .

Lieve lezeres, toen ik in mijn eigen huis terugkeerde vond ik alle spaansche dames leelijk. Het heeft mijne vrouw niet meer gekost dan een blik uit hare vriendelijke oogen om mij daarvan te overtuigen.