250 SPAANSCHE DAMES.
diné onder een glas wijn begonnen, voortzetten bij een kop koffij en een pousse-café. Zoo wij wat lang zamen bleven, za- gen wij ze echter nog even de vestibule passeren: zij gingen naar de alameda, daar bragten zij het overige van den dag door. Vier dagen ben ik in Sevilla geweest en in al die dagen heb ik mijne schoone spaanschen niets anders zien doen dan rusten, met hare waaijers zich koelte toewuivende, naar de mis gaan en op de alameda wandelen. En toch – wie van mijne lezeressen haar gezien had, zou met mij moeten erkennen dat een ongehuwd man geen veertien dagen in Sevilla op die wijze zou kunnen doorbrengen zonder smoorlijk verliefd te worden . . . Dat zou zeer onpractisch zijn van dien ongehuwden man zegt men, en men heeft gelijk: de liefde is dan ook al zeer practisch in hare keuze.
Maar het kan toch zeer wel zijn dat ik mij vergis in die on-derstelling en dat eene van mijne lezeressen, ja misschien allen zeiden: hoe is ’t mogelijk op zulke meisjes verliefd te worden. Ze zijn volstrekt niet mooi. Die oogen zijn veel te groot in verhouding tot haar gelaat; dat haar is veel te zwart en te zwaar; die schouders en die hals zijn te bruin; die handen te spits; dat mondje veel te rood . . . .
Ik zou het dadelijk opgeven, gelijk ik het opgegeven heb, bij eene soortgelijke opmerking van eene schotsche dame. Het was de laatste dag van ons verblijf in Cadix. Wij aten voor het laatst aan den gezelligen disch van Senor BLANCO, en had- den onze gewone plaatsen ingenomen, toen de deur van een zijvertrek openging en twee meisje van zeventien en zestien jaren binnen traden, zoo betooverend schoon, dat alle aanzit-tenden, hoe onbescheiden het welligt ook mogt zijn, haar ble- ven aanstaren. Zij zetten zich neder als veertjes en men kwam onwillekeurig in den waan dat men door haar henen de deur kon zien, waardoor zij waren binnen getreden, zoo doorschij-nend en tenger waren ze. Beiden waren dien morgen uit “de” Havanna’s gekomen, en bevonden zich voor het eerst in het vaderland hunner ouders.
Zoo etherisch als die beide dochteren der keerkringen waren, zoo ontzaggelijk massief scheen daarbij eene schotsche dame van