De Gracieuse 1862 | Page 253

CONSTANCE CHORLEY. 245

vlak en open – de stem van den koekoek. Gewekt door zulke ongewone klanken stonden de kleine zwervers op om hunne reis te hervatten, met gewaarwordingen weinig gelijk aan die waarmede zij ze geëindigd hadden. Wat hun gisteren zoo ver-laten en gevaarlijk toescheen, begon heden een glimp van vrij-heid, iets romanesks voor hen te hebben. De oogen van DUKE glinsterden in het vooruitzigt van aanstaande avonturen en met opregte goedwilligheid hielp hij zijne zuster in het bijeenpakken van hunne kleine bezitting. Eindelijk, wel wat verschrikt van het geraas dat zij maakten in het ruime weerklinkende portaal, waagden zij het naar beneden te gaan, om te zien hoe het met het ontbijt stond. Zij vonden moeder CATLIN en haar “kind” reeds daarmede bezig, en REBECCA wees naar twee plaatsen aan de tafel en zette twee borden met uijensoep voor hen neder. Daar geenerlei gesprek het stoorde was dit ontbijt spoedig af-geloopen. Toen CONSTANCE nu voor haar stond met haar hoedje op en aarzelend iets in de uitgestoken hand houdende, zag RE-BECCA haar aan en zeide, terwijl zij bedaard hare hand ter zijde schoof: “Zoo gaat gij dan heen, meisje? Zorg voor hem – maak hem niet te vermoeid; en, ziet gij, kind, als gij uwe reis zult volbragt hebben, zend mij dan een strookje papier, waarin gij meldt hoe het den knaap gaat – ik zou dat gaarne weten.”

CONSTANCE beloofde dit te zullen doen; en nadat REBECCA hare smalle lippen op DUKE’S voorhoofd gedrukt en moeder CATLIN op hare wijs regt vriendelijk “God zegene u, kinder- tjes” gezegd had, namen zij elk hun pakje op en verlieten het huis. Er waren nog weinig menschen in het dorp op de straat, behalve eene groep lediggangers, die rond de smidse stonden, toekijkend hoe SIMON zijn vuur opstookte en luisterend naar een wel wat overdreven verhaal van zijn avontuur van den vorigen avond. Nooit had men ergens kinderen ontmoet zoo geheimzin-nig als hij hen beschreef. Hij schaamde zich wel wat over zich zelven toen hij hen zoo opgeruimd den weg zag afkomen, zoo vrolijk en zoo kinderlijk; zijn goed hart kwam boven en hij trad vooruit en riep hun na met zijne luidruchtige stem:

“Hei daar, kleintjes, pleizierige reis hoor!”