De Gracieuse 1862 | Página 252

244 CONSTANCE CHORLEY.

Verantwoording geroepen over zijne vermetelheid, daar hij de laatste toejuichingen durfde afbreken door zijne haastige en be-schroomde aankondiging van het onderwerp dat eene volgende maal zou behandeld worden. Helaas! wat waren zij nu, die wan-den, die eens zooveel schoonheid bevatten, die zooveel welspre-kendheid en zulke prachtige muziek weerkaatsten – die grond, waarover zulke ligte, gevleugelde voeten hadden heengezweefd? De ratten hebben er hare legerplaats opgeslagen; en bij haar geraas en geknaag zou men meenen dat zij eene repetitie hiel- den van al de voorstellingen die zij hadden gezien van uit hare kijkgaten in den muur. De spinnen weven zoo dapper voort, dag en nacht, dat men waarlijk zeggen kon dat deze ten minste haar voordeel gedaan hadden met de lessen over nijverheid daar gegeven.

Lang nadat DUKE was gaan slapen; zat CONSTANCE aan den voet van zijn bedje, denkende over REBECCA’S geschiedenis en meer bijzonder over dat gedeelte waarin zij zelve zoo naauw be-trokken was. Was het mogelijk dat haar vader haar van zulk eene lage onwaarheid liet beschuldigen door anderen? of, erger nog, dat hij zelf die beschuldiging had uitgesproken? Zij zonk voor het bed op de knieën, maar haar hart was te vol om te bid- den – zij vermogt alleen daar neder te knielen en te schreijen tot de lange lokken van DUKE doorweekt waren van hare tra- nen – tot eindelijk verdriet en vermoeijenis haar overweldigden en zij naar hare rustplaats kroop, waar weldra een vaste en ge-ruste slaap haar onthief van alle lijden.

De goede hoefsmid had waarheid gesproken toen hij zeide dat men in “Krijgsmans welvaren,” vroeg op de been was. Zoodra CONSTANCE de oogen opende, hoorde zij hoe REBECCA de ket- ting wegnam en de deur ontgrendelde.

Het was de eerste dag van April, en een streep van zwak doch helder zonlicht baande zich een weg door het hooge ven-ster zonder luiken dat nog glinsterde van daauwdroppels. De vogels pas ontwaakt in hunne nesten tusschen het digte kreu-pelhout van de vlakte, fladderden heen en weder in de zachte lucht, tjilpende en fluitende bij het dubbele genot van vrijheid en lentelucht; en nu en dan klonk zwak maar duidelijk uit eenig verwijderd boschje – want juist hier was de lanstreek