De Gracieuse 1862 | Page 250

242 CONSTANCE CHORLEY.

de boterbloempjes op het veld, toch altijd beminnelijk is en prettig om te zien om zijne openhartigheid, zijne mengeling van blooheid en moed en zijne verachting van eigen schoon- heid. Dus nu was voor vreemde oogen het voorkomen van den kleinen DUKE, maar voor REBECCA was het meer dan dat – voorzeker oneindig meer – want de hand op zijn schouder beefde.

Zij had gezegd, “laat mij den zoon van DANIEL CHORLEY zien,” met mistrouwen van haar eigen hart, want dat beefde terug voor de herinneringen, die het vreesde dat daar zouden gewekt worden door een of anderen eigenaardigen trek van zijn gelaat. Zij had gedacht dat zij, gewapend met haren leeftijd en lang gekoesterden haar, zulke herinneringen kon ontmoeten en door-staan. En met dien ijzeren wil, die in haar was, verkoos zij bij den fellen gloed van het vuur neer te zien niet alleen op dat kindergelaat maar op een ander in het zijne. Zij staarde hem aan met hare hand op den zachten hals onder het warme zijde-achtige haar – staarde in die blaauwe oogen die geene vrees, maar alleen verwondering uitspraken, en in plaats van kalm de herinneringen te dragen die zij daar terugvond, talkrijker nog dan de zomervlekken, werd zij er geheel door overweldigd en drongen zij door tot in het diepst harer ziel. Zij werd herin- nerd aan de vrolijke jaren harer kindschheid, aan hare eigen gelukkige jeugd en hare krachtige maar verguisde liefde. Steeds bleef zij staren tot dat gelaat haar ten spiegel werd, die niet alleen het verledene terugkaatste, maar tevens de nevelachtige oevers eener toekomst, waar die leeftijd en die haat die zij een voldoend wapen geacht had, tegen al wat het verleden haar toonen kon, als een versleten hulsel zou wegvallen en tot stof vergaan, terwijl de oude jeugd en de oude liefde voor eeuwig zouden blijven. Half beseffeloos bleef zij staren en lang-zamerhand drongen zich warme, ongekende tranen in hare arme lijdende oogen; en terwijl zij den knaap van zich stiet en het gelaat met hare handen bedekte liet zij ze vrijelijk vloeijen; en wat al bitterheid voerden zij mede uit haar hart.

“Meisje,” zeide zij, na eenigen tijd weder opziende, “zeg, waar gaat gij heen? en waarom moet hij zijnen vader ontno- men worden? Vertel mij de gansche toedragt der zaak.”