De Gracieuse 1862 | Seite 249

CONSTANCE CHORLEY. 241

Er kwam beweging in het klein bleeke ernstige gelaat – de kinderlijke gedaante rigtte zich eensklaps op en de kinderlijke stem herhaalde op half verontwaardigden, half wanhopigen toon:

“Terugkeeren! Hem terugbrengen!”

En terwijl zij DUKE in hare armen sloot viel zij naast hem op de knieën en snikte het uit: “O DUKE, mijne arme kleine DUKE. God moge vader dat alles vergeven! God vergeve hem!”

Geen plotselinge ingeving flikkerde in de donkere rustelooze oogen die de kleine zwervers bespiedden. Lang bleven zij op hen staren en namen als langzamerhand de waarheid op; toen werden die oogen verblind door heete tranen, en REBECCA wendde zich af, leide hare hand op die harer moeder, zag haar aan en zeide kalm:

“Moeder, het zijn zijne kinderen – de kinderen van DANIEL CHORLEY.”

XII.

“Laat mij hem aanzien,” sprak REBECCA, toen CONSTANCE meer bedaard was geworden. “Laat mij den zoon zien van DA-NIEL CHORLEY.”

Zij trok hem naar zich toe, en den mageren arm om zijn hals slaande, onder zijne blonde lokken, boog zij zich tot hem en staarde hem in ’t gelaat.

Het gelaat van den kleinen DUKE had volstrekt niets buiten-gewoons. Ongetwijfeld zou men een zelfde terugvinden op elke jongensschool in Engeland, want het was dat zuiver Saksisch gelaat, omgeven door lang, blond, zijdeachtig haar, dat mama den moed niet heeft aan de schaar van den barbier over te leve-ren, al wordt het meestal als iets meisjesachtigs door den knaap zelven veracht – een gelaat met half bloode, half vermetele oogen, blaauw als de lucht in den prettigen zomervacantietijd; met het opene eerlijke voorhoofd en de zuivere doorschijnende gelaatskleur die geen ander teeken draagt van ligtzinnigheid en buitensporigheid dan een voorbijgaand puistje, dat eene al te groote bekendheid verklapt met den Woensdagschen koopman in appeltaartjes – een gelaat dat, al heeft het ook nog zoo’n wipneusje of grooten mond, of zomervlekken zoo talrijk als