238 CONSTANCE CHORLEY.
deed gevoelen zoodra haars vaders deur achter haar werd geslo-ten! Goddank, dat zij nooit eene schuilplaats vond onder zijn dak, nooit proefde van zijn brood! Zij zat rillend op den stoep harer eigen woning tot diep in den nacht, en trachtte de hand op te heffen en aan te kloppen, maar vruchteloos. Hoogmoed drukte die hand neder en maakte haar zwaarder dan lood. Het zou haar niets gekost hebben binnen te gaan en te zeggen: “Vader, ik deed verkeerd met u te verlaten. Ik heb berouw en ben terstond teruggekeerd.” Maar te zeggen: “Vader, ik kom terug, omdat hij mij verstoot,” dat was te veel voor het trot- sche hart. Zij weende bitterlijk en drukte duizend kussen op de kouden steenen; maar voor het opgaan der zon was zij ver van daar.
“En zij – die zoo verwend en hulpbehoevend was groot ge-bragt, moest nu door handenarbeid haar brood verdienen. Vele maanden waren voorbijgegaan, en zij verkwijnde van verlangen naar het ouderlijke huis, eer eenige tijding van daar haar be-reikte. Eindelijk hoorde zij in de stad waar zij woonde het praatje dat haar vader geheel aan den drank was verslaafd en dat het huis in een slechten naam kwam; en, kind, ieder woord was als een dolksteek in hare borst, want was dat alles niet haar werk? Alles! alles!!”
REBECCA drukte de zaamgeknepen handen tegen haar hart, als kromp dat ineen onder eene nog versche levendige smart. “Toen vernam zij dat menschen niet langer naar de bronnen van Yapton kwamen, maar naar Ently gingen en die verande- ring bragt groote armoede en ellende over het dorp. Vervolgens hoorde zij dat haar vader geruîneerd was – en nu was de tijd daar dat haar hart niet langer zwijgen kon. Zij ging tot hem en vertelde hun alles, en zij schonken haar vergiffenis en namen haar weder bij zich en zij werkte voor hun onderhoud en was hun tot troost in hunne beproevingen.
“Gij denkt, meisje, dat dit alles nu in orde was en juist zoo als een verhaal behoort te eindigen; maar luister. Een gebroken hart geneest nimmer! – neen nimmer! Zij had dien slag toegebragt – zij had haars vaders hart gebroken – en nu was zij veroordeeld het te zien wegkwijnen elken dag, ieder uur, en dat met het bewustzijn dat al wat zij deed alleen strekte om dit lijden te vergrooten. Dik-