CONSTANCE CHORLEY. 237
op eenen regenachtigen winteravond, dat hij kwam en hare hand vroeg en haren vader vertelde hoe hij hare liefde reeds lang be-zat. Het was een zware dag voor den ouden man, en eerst meenden men dat het hem wezenloos had gemaakt – zoo bleek en stil zat hij daar, in den stoel, waarin nu moeder zit. Eens- klaps sloeg hij zijn flikkerend oog op mij – ik bedoel op het kleine meisje van weleer – en greep haar bij de borst en zeide:
“Kind, is dat waar?”
“En zij wist niet anders te doen dan het te bekennen en te schreijen, te sidderen en zich zelve dood te wenschen. Maar toen zij hoorde hoe haar vader harde woorden tegen hem bezigde, hem verweet niets ter wereld te bezitten en hem harer onwaar- dig noemde, toen kwam haar hart in opstand en zij koos zijne partij. En haar vader stond op, opende de huisdeur en zeide met eene zonderling fluisterende stem terwijl hij naar buiten wees:
“REBECCA, moeder en ik hebben hard voor u gewerkt – ge-werkt opdat wij u welvarend en gelukkig zouden zien vóór onzen dood – en ik zeg u, als gij dien man trouwt, dan breekt gij met het hart. Maar, als uw besluit genomen is, ga dan, en bij God! laat mij u nooit terugzien!”
REBECCA hield op met spreken, en de tengere gestalte schudde voor- en achterwaarts als iemand die een folterende zielsangst wil van zich werpen. Plotseling tot rust gebragt, toen haar blik andermaal in het vuur staarde – dat boek waarin haar gansche verleden te lezen scheen – ging zij voort met eene stem nu eens luid, dan gesmoord, nu een woest, dan klagend als de wind:
“Luister, meisje, hoe zij gestraft werd. Die man, voor wien zij haar vaders hart gebroken had, begeerde niet haar – hij begeerde haar geld! Hij begeerde het geld dat voor haar zoo zorgzaam was bijeen gegaard – de goudstapels die haar va-der haar elken avond met zooveel zelfvoldoening toonde, wijl zij al hooger en hooger werden. En zij – die voor hem haar hart verstokt had tegen allen wat haar zoovele jaren gelukkig had gemaakt – zij gaf dat arme, dwaze, bloedende hart, om te worden vergruizeld als een steen. Goddank, dat hij het haar