CONSTANCE CHORLEY. 235
“Nu ja, wat hier was een langen, langen tijd geleden.”
“Ik bid u, wat was dat, jufvrouw,” vroeg CONSTANCE met gesmoorde stem. “Wat was er toen hier?”
“Ik zal het u vertellen, meisje,” antwoordde REBECCA op langzamen en droomerigen toon en zonder op te zien, als moest zij alles uit het vuur haar vóórspellen, en als had zij dat zich zelve reeds zoo dikwijls vóórgespeld dat het eene verligting was het nu eens voor een ander te doen. “Ik zal u vertellen hoe het vroeger was. Er was vroeger een klein meisje en zij woonde in een groot huis.”
“Dit huis, jufvrouw?”
REBECCA knikte en vervolgde:
“In een groot huis, vol fraaije vertrekken en fraaije menschen. Elken dag werd er in die winkellade meer geld ontvangen dan het kleine meisje tellen kon, en elken avond, voor zij naar bed ging, riep haar vader haar bij zich en toonde haar groote goud-stapels en vertelde haar dat die allen voor haar waren.”
“O, hoe aardig! Wat een gelukkig meisje,” zuchtte CONSTANCE en greep naar het papier waarin haar twee eenige goudstukken gewikkeld waren.
“Ja, zij was een gelukkig meisje,” ging REBECCA voort, op zachter en gevoelvoller toon dan vroeger; “zij had al wat haar hartje begeerde – dienstboden om haar op te passen en speel- goed zonder eind.”
“En was zij goed, of werd zij een bedorven kind?” vroeg CONSTANCE.
“Dat weet ik eigenlijk niet,” antwoordde REBECCA peinzend, als ware die vraag haar zelve nooit voorgekomen. “Ik zie niet in dat zij daaraan schuld gehad zou hebben, maar bedorven of niet, haar vader en hare moeder waren trotsch op haar, en lie- ten haar zien aan al de fraaije gasten als eene speelpop, en iedereen was vriendelijk voor haar en schonk haar een lach, en het kleine meisje was gelukkig, heel gelukkig – soms at te ge-lukkig.”
“Hoe kon dat zijn?” vroeg CONSTANCE, wie het onmogelijk was zich zoo iets voor te stellen.
“Wel, somtijds als zij na gebeden te hebben stil te bed lag,