DE BANKNOOT. 227
u nooit zou hebben gekend en altijd vreemd gebleven ware aan het geluk, waarin ik mij aan uwe zijde verheug.”
“Zwijg toch, liefste,” was zijn antwoord, “want op eene ware zaak bouwt gij eene valsche gevolgtrekking. God beloont geen feilen, want Hij is de bron van alle regtvaardigheid; maar Hij is liefde voor ieder, omdat Zijn wezen Liefde is. Hij schenkt ons eenen vrijen wil om het kwade te kunnen doen, opdat het goede ons eigen werk zou zijn; maar Hij oordeelt ons niet blootelijk naar onze uitwendige daden, gelijk wij naar deze oordeelen, omdat wij onvolmaakte wezens zijn. Niet zel- den gebeurt het dat juist onze struikelingen ons naderbrengen aan den weg tot eeuwig geluk, gelijk ook omgekeerd eene schijn-baar goede daad somtijds verborgen verkeerde neigingen des harten aan den dag brengt. Gij hebt mijne liefde niet daardoor verworven, dat gij in uwen benarden toestand u hadt laten verlokken, om eenigen tijd onder u te houden wat u niet toe-behoorde, maar omdat ik uwen deugdzamen zin ontwaarde uit het zelfverwijt dat gij gevoeldet wegens iets, dat gij onbedacht hadt gedaan, verrast als ’t ware door het ongeluk. Geloof mij, mijne lieve, wij kunnen veel toebrengen aan den loop onzer lotgevallen; want reeds in dit leven gevoelen wij ons te geluk-kiger, naarmate wij nader komen aan het doel van ons aanzijn “volmaking!”
(Naar E. GERNEIJ.)
HUISHOUDEN EN KEUKEN.
Diners. – Onlangs kwamen ons de volgende opmerkingen, aphorismen, enz. van een gastronoom par excellence onder het oog; ze zijn natuurlijk niet weinig overdreven en wij geven ze dan ook voor het grootste deel als curiositeit
“Zeg mij welk soort van voedsel gij gebruikt en ik zal u zeggen welk soort van mensch gij zijt.”
“De tafelgeneugten behooren aan iederen leeftijd, aan elken