226 DE BANKNOOT.
weduwe achtte dit huwelijksaanzoek een onverwacht geluk voor hare dochter. Van het eerste oogenblik af, dat zij DEBRAY ge- zien had, was het haar als werd zij door eene geheimzinnige tooverkracht tot hem getrokken. De leeftijd van den man, die de hand harer dochter begeerde, was in haar oog volstrekt geen be-letsel. Hij was drieënveertig, maar ten gevolge van eene hoogst matige en geregelde levenswijze zag hij er nog veel frisscher uit dan niet weinigen van vijfentwintig. De eenige hinderpaal lag in zijn aanzienlijk vermogen; maar JULIËTTE en hare moe- der, beide geleid door de uiterste kieschheid, begrepen teregt dat de vraag naar geldelijk vermogen eene zaak is die walging wekt, waar sprake is van eene overigens dwaze verbindtenis, maar volstrekt geen hinderpaal behoort te wezen bij eene wederzijdsche genegenheid. JULIËTTE gevoelde in haar hart voor den man, die haar echtgenoot wilde worden liefde genoeg om niet terug te beven voor het denkbeeld dat zij haar maat-schappelijken stand aan hem zou te danken hebben, en voor JEANNE gevoelde zij eene zoo levendige teederheid, dat zij de innige overtuiging had voor haar wel eene regt goede moe- der te zullen zijn.
Vijf jaren later zaten DEBRAY en zijne vrouw op eenen schoo-nen zomeravond in de schaduw van eenen grooten Kastanje-boom op een landgoed, onlangs door hem aangekocht. Zij ge-voelden zich regt gelukkig in elkanders bezit, gelukkig in het bezit ook van twee lieve kinderen, een meisje van tien en een knaapje van drie jaren, voor wien zijne zuster, bijna een groot mensch in zijn oog, half en half een moedertje was. Beiden zwegen. Zij scheen verzonken in diep gepeins; hij beschouwde haar aandachtig, of ’t hem gelukken mogt op haar gelaat, dien spiegel eener reine ziel, den grond harer afgetrokkenheid te ontdekken. Doch dit behoefde niet lang, want na eenige oogen-blikken kwam zij zelve hem voor.
“Ik zit er daarover na te denken,” zeide zij, “hoe ik zonder de eenige daad die mij in mijn geheelde leven ernstig berouwt,