De Gracieuse 1862 | Page 233

DE BANKNOOT. 225

stonds hebben verworpen als iets onzinnigs, al ware het alleen wegens den eerbied dien zij voor hem voedde en zijnen meer rijpen leeftijd, al zag hij er dan ook nog jeugdig genoeg uit. Zij gevoelde dat niets in hare oogen edeler was dan geplaatst te worden onder zulk eenen beschermer en te gehoorzamen aan eenen zoo edelen geest; maar het was in hare oogen eene be-spottelijke aanmatiging, ook maar één oogenblik toe te geven aan het denkbeeld der mogelijkheid dat zoo iemand haar hoog genoeg zou kunnen achten, om haar als zijns gelijke te beschou-wen en haar tot levensgezelling te begeeren.

Het was misschien diep gevoel, hoe ver die man boven haar stond, dat haar – zij woonde te Parijs, waar een treurig schouwspel van menschelijke bedorvenheid ook haren blik on-willekeurig had moeten treffen! – vlugtig eene gedachte ingaf . . . . doch slechts ééne, die zij met de snelheid van het ondeelbaar oogenblik ver van zich wierp als eenen zoo edelen man on-waardig, en als geheel onbestaanbaar met de omstandigheid, dat hij zijn dochtertje min of meer tot tusschenpersone in deze zaak scheen gekozen te hebben.

DEBRAY was te veel met zich zelv’ bezig, om hoe scherpzin- nig anders ook, de ware reden van JULIËTTE’S verwarring te raden.

“Vergeef mij, mejufvrouw,” sprak hij, “indien mijne vader- lijke vooringenomenheid mij heeft doen denken, dat gij er toe zoudt kunnen besluiten om uit genegenheid voor mijne JEANNE de hand aan te nemen van haren bejaarden vader.”

JULIËTTE antwoordde daarop slechts met een vloed van tranen.

“Gij wilt dus niet, stoute juf,” riep JEANNE uit, terwijl zij mede in tranen uitbarstte.

“Dat heb ik niet gezegd,” antwoordde JULIËTTE zacht fluis-terend, terwijl zij JEANNE een kus op het voorhoofd gaf.

Op hetzelfde oogenblik sloeg zij de oogen op en ontmoette die van DEBRAY in welke eene teederheid schitterde zooals zij nog nooit gezien had.

“Maar zoo iets moet gij aan mij niet vragen, maar aan mijne moeder, meidlief,” zeide JULIËTTE vriendelijk, maar zacht.

Het antwoord van deze kon wel niet twijfelachtig zijn. De