De Gracieuse 1862 | Página 232

224 DE BANKNOOT.

DEBRAY had met andere helderdenkende geesten ook dit ge- meen, dat de eenvoudigste kleinigheden in het dagelijksche leven hem even weinig ontgingen als de diepzinnigste vraagstukken van wijsbegeerte en wetenschap. Ja, het schijnt als bezigen menschen van zijne scherpzinnigheid bij voorkeur de kleinste omstandigheden, schijnbare nietigheden, om er de belangrijkste nasporingen, de diepzinnigste denkbeelden aan vast te knoopen.

Hoe eenvoudig ook de kleedij van JULIËTTE mogt wezen, zij verraade eenen goeden, zuiveren, edelen smaak, een fijn ge- voel voor het welvoegelijke, en daarom zou zij er nergens mede misplaatst zijn geweest, terwijl het edele harer rijzige gestalte de blankheid harer kleur en het heerlijke harer kastanjebruine lokken er nog te meer door scheen uit te komen.

Kort na die partij, noodzaakte haar eene ligte ongesteldheid eenige dagen te huis te blijven, en toen zij terugkwam, was JEANNETTE uitgelaten van vreugde. Zij zelve was hoogst verblijd weder een huis te mogen betreden, dat getuige was van de beste oogenblikken haars levens.

“Gij moest maar altijd bij ons blijven,” zeidde eindelijk JEANNE, toen haar vader een boek op zijne kamer was gaan halen. “Zeg, wilt gij?” ging het meisje voort met die vasthoudendheid, met welke kinderen doorgaans hangen aan eenen inval van het oogenblik.

“Maar kindlief, dat kan immers niet!”

“Zeker wel, papa heeft dat zelf gezegd.”

Nog wist JULIËTTE, wier geest door duizend gedachten werd bestormd, geen antwoord op de aanmerking van het kind te vinden, toen DEBRAY in de kamer terugkwam, en zeide:

“JEANNE heeft gelijk. ’t Is alleen de vraag of gij haar ge- noeg liefhebt om er toe te besluiten, dat gij bij haar . . . . en bij mij, “voegde hij er met diepe uitdrukking bij, de plaats vervullen wilt van de moeder, die zij verloren heeft.”

Het was JULIËTTE, als werd alles duister voor hare oogen; zij was in eene hevige spanning. Eene verbindtenis met den heer DEBRAY – dat denkbeeld was zelfs in hare mijmerende droomerijen, in de verste verte nooit bij haar opgekomen; en ware dit onwillekeurig het geval geweest, dan zou zij het aan-