222 DE BANKNOOT.
van eene innerlijke tevredenheid, die haar vervulde met welwil-lendheid omtrent allen die haar omringden. Voor JEANNE ge-voelde zij eene gehechtheid als ware deze haar zusje, en naar-mate zij zoowel deze als haren vader beter leerde kennen, ont-wikkelde zich in haar jegens hem die levendige hoogachting, welke daar gewekt wordt, waar naauwkeurige kundigheden zich voegden bij edele gevoelens.
Dat jaar was de lente alleraangenaamst; zij vertoonde zich in werkelijkheid en niet zoo als dikwijls in de verbeelding der dichters alleen; de meimaand was in waarheid eene bloeimaand, zoo als zij in den almanak heet, maar niet altijd is. Op zekeren schoonen namiddag vroeg JEANNE aan hare onderwijzeres:
“Lieve jufvrouw, nu moest gij eens met papa in den tuin gaan wandelen; zoodra ik mijn broodje op heb, ben ik weder bij u; dan zal ik u mijn tuintje eens laten zien en u een ruiker maken. Gij wilt dat immers wel doen, vaderlief?”
DEBRAY vestigde zijne oogen op JULIËTTE, als wilde hij uit de hare het antwoord lezen. Zij echter was reeds opgestaan om hem te volgen, nadat zij het lieve kind een hartelijken kus ge-geven had.
Weldra was JEANNE terug en kwam aanhuppelen met den grooten bloemruiker in de hand, dien zij met kinderlijke lief-talligheid JULIËTTE aanbood.
“Vergun mij er deze bij te voegen,” sprak haar vader, aan Juliëtte eenige zeer fraaije en zeldzame bloemen aanbiedende.
De indruk dien deze beleefdheid op haar maakte, was die van levendige erkentelijkheid. De vader van hare kweekelinge stond in hare schatting zoo hoog boven andere menschen, dat de eenvoudige aanbieding van eenige bloemen, die haar van ieder ander eene alledaagsche zaak zou zijn toegeschenen, nu in haar oog eene hooge kunst was. Zij zocht eene der schoonste bloemen uit en legde die met zorgvuldigheid uiteen in een teekenboek, ten einde ze te kunnen bewaren. Den van JEANNE ontvangen ruiker zette zij thuis gekomen in eene vaas voor den schoorsteen en gaf ze dagelijks versch water, totdat de laatste verwelkt en uiteen gevallen was.
Eenige dagen later sprak DEBRAY tot JULIËTTE: