DE BANKNOOT.
Den volgenden Zondag vertoonde de heer DEBRAY zich weder bij de dames SIMON, maar bij bragt ditmaal zijn dochtertje mede. JULIËTTE was juist bezig met eigenhandig voor het middagmaal te zorgen. In het oog eens minnaars van twintig jaren of van een dweepend dichter zou dit haar opeens van den troon harer bevalligheid hebben gestooten; maar nu verhoogde het hare ver-diensten in de schatting van een bedaard man, die de waarde eener vrouw beoordeelde naar de blijmoedigheid, met welke zij zich wijdde aan pligten, welke anders niet van de aangenaam- ste zijn.
JULIËTTE bragt den bezoeker en diens dochtertje bij hare moe-der, waarna zij zich verwijderde. Na verloop van eenige oogen-blikken kwam zij terug, na zich te hebben ontdaan van een paar witte morsmouwen, die zij gewoonlijk bij haar huiswerk aan had. Die mouwen en een halsdoekje, hoogst eenvoudig, maar wit als sneeuw, gaven een bevallig voorkomen aan het eenvoudig grijs wollen kleedje, dat reeds aan den heer DEBRAY bekend was.
“Welk een lief kind!” zeide de weduwe SIMON terwijl zij JEANNE omhelsde.
“Toch niet,” antwoordde haar vader. “Mijn dochtertje weet wel dat zij geen bekoorlijk voorkomen heeft; maar zij is goed en zal uwen lof meer verdienen, indien mejufvrouw SIMON de taak van hare opleiding op zich wil nemen.”
“En zou de lieve JEANNE mij wel willen gehoorzamen?” vroeg JULIËTTE, eigenlijk om iets te zeggen. Zij hield zich eenige oogenblikken geheel en al met het meisje bezig, niet zonder vrees dat haar vader de een of andere toespeling op het ge- beurde met de brieventas maken zou.
“Ja, ik zal u gaarne gehoorzamen,” was het antwoord, waarbij het lieve kind de mollige armpjes om JULIËTTE’S hals sloeg. “Ik zal u hartelijk liefhebben, want gij ziet er zoo vriendelijk uit.”