De Gracieuse 1862 | Page 226

218 ALIX.

“Heet deze dienstmaagd niet BILLATONNE?” vroeg ALIX diep bewogen.

“En ik,” zonder op die vraag te letten, “laatste afstammelinge van den markies DE MAURIAC, eenig overblijfsel van dat trotsch, rijk en aanzienlijk geslacht, ik die mij niet geschaamd heb, mij in der tijd met die allen te vereenigen, tegen u die zoo edel en zoo verheven waart om, ten gevolge van eene schandelijke achterdocht, afstand te doen van een schitterend fortuin, – ik heb moed gehad tot u te komen, in het vaste vertrouwen dat gij zelfs zoo vergevingsgezind zoudt zijn, om u het lot aan te trekken van de dochter van uwen vijand.”

“Wees welkom, en gezegend in dit oordeel over mij, en ALIX sloot het meisje met ontroering in de armen. Ja BILLATONNE heeft gelijk, God is regtvaardig, arm komt gij tot mij, ik ben rijk, ten tweedenmale kan ik u met mijn vermogen steunen.”

“Maar ik ben niet alleen, BILLATONNE is bij mij!”

“O zij is mij innig welkom, mijn kind!”

“En nog is er een die ik niet achterlaten kon?”

“Wie dan? zeg?”

“Blanche!”

“Mijn hond! O ik heb u lief omdat gij mij mijne eerste vrienden terugbrengt,” en nogmaals drukte zij het meisje met verrukking aan haar hart.

Een oogenblik later en zij waren allen bijeen. Blanche gaf door allerlei teekenen zijne groote blijdschap over het terug-vinden zijner meesteres te kennen.

Mejufvrouw D’ALENÇON huwde nimmer. Eenige jaren later gaf zij mejufvrouw DE MAURIAC ten huwelijk aan een harer ne- ven even arm, doch zij voorzag in dit bezwaar door haar ten tweeden male een groot gedeelte van haar vermogen as te slaan. Zij schonk der bruid een prachtig garneersel van point D’ALEN-ÇON geheel door haar zelve vervaardig.

Deze kanten worden als eene reliek in de familie DE MAU- RIAC te Bordeaux bewaard.