De Gracieuse 1862 | Page 225

ALIX. 217

ALIX bedacht zich een oogenblik, en stelde toen het volgende voor:

“Zie bij den koning te verkrijgen dat hij de eerst kanten die uit onze fabriek komen aan mevrouw de hertogin en aan mevrouw COLBERT aanbiede. De eerste zal natuurlijk het ko-ninklijke geschenk verkiezen boeven het vorige garneersel, beide dames zullen er mede verschijnen in den schouwburg en op de bals . . . . komen zij dan niet in de mode, dan neem ik mijn ontslag.”

Het voorstel werd aangenomen. COLBERT liet werksters uit Vlaanderen en Venetie komen plaatste ze in een klooster, en aan haar hoofd mejufvrouw D’ALENÇON. En ziedaar de point d’Alençon in Frankrijk geboren!

Drie jaren na deze gebeurtenis, toen op zekeren avond al de werksters in het uur van het avondgebed in de kapel vereenigd waren, werd er aan de kloosterdeur geklopt. Weldra berigtte men mej. D’ALENÇON dat een jong meisje, geheel uitgeput en doodarm haar verzocht te spreken; zij weigerde echter haren naam te noemen.

“Zij lijdt, zij weent, dit is genoeg om haar tot mij te bren- gen, ga haar halen?”

Slechts even had ALIX de onbekende gezien of zij gaf een gil; dit gelaat bragt haar de eens zoo dierbare trekken voor den geest van hem, wien tijd noch dood uit haar hart hadden kunnen verwijderen; zij zond iedereen weg en zeide: “spreek, o spreek, wie zijt ge?”

Vol vertrouwen antwoordde de onbekende: “Iemand die gij haten moet, en die toch moed heeft tot u te komen. Sedert drie jaren rust Gods hand zwaar op ons: brand en hagel hebben onze bezittingen verwoest, de dood heeft onze familie wegge-maaid. In den nacht van den dood mijns grootvaders tien ik weenende aan de deur van zijne kamer bad, terwijl de priesters daar binnen waakten en baden, heeft eene oude dienstmaagd tot mij gezegd:

“God is regtvaardig!” en tegelijkertijd verhaalde zij mij uwe geschiedenis . . . . .