De Gracieuse 1862 | Page 224

216 ALIX.

gekomen, zijt gij dan niet bevreesd om den toorn te trotseren van de eerste magt op aarde na den koning.”

“Neen mevrouw,” sprak zij op een doosje kloppende dat zij in de hand had, “neen, want eene magt grooter dan die des ko- nings steunt en geleidt mij, eene kracht die van God komt.”

“Zonderling meisje!” riep MARIE uit en tegelijkertijd opende zij de deur van het kabinet van COLBERT.

De minister keerde zich op dit geluid driftig om met een ge-fronsd en nadenkend gelaat dat aan zijn geheele voorkomen iets belangwekkends gaf, doch toen hij zijne gade en het hem onbekende meisje zag helderde zijn gelaat op, daar hij wel be-greep dat het iets gewigtigs zijn moest dat haar tot deze stoor- nis bragt; – hij stond op naderde haar met teederheid, ge- reed haar te hooren toen tij zijne verbazing ALIX het woord nam:

“Wil uwe Excellentie,” (en zij opende het doosje) deze kan- ten eens bezien en mij zeggen of ze door die van de hertogin overtroffen worden?”

“Geheel gelijk . . . . volkomen dezelfde,” en zijne hand beefde toen hij het teere en kunstige werk bezag, “zeg mij, waar ko- men deze van daan, waar is de toovergodin die ze vervaardigd heeft? . . . . Spreek?”

“Het is geene toovergodin,” vervolgde ALIX toen COLBERT door aandoening, verrassing, blijdschap niet meer spreken kon. “Het is een arm meisje dat zich gelukkig rekent op deze wijze de liefde en goedheid te vergelden van uwe vrouw voor haar.

Vlaamsche van geboorte en opvoeding leerde ik van mijne moeder die aan het hoofd eener kantfabriek stond deze kunst; ik schijn er veel aanleg voor te hebben, want ik behoef slechts een paar malen te zien om de teekening er van na te volgen. Geef mij, edele heer, een lokaal en eenige arme meisjes, ik hoop er knappe kantwerksters van te maken.”

Met al de kracht van een genie greep COLBERT dit naauwe- lijks ontwikkelde gelukkige denkbeeld aan; intusschen hij had nog een bezwaar: “wie zal nu onze dames dwingen deze kanten te dragen en niet de buitenlandsche?”

“De mode!” antwoordde mejufvrouw D’ALENÇON bescheiden.

“Maar hoe die in te voeren?”