De Gracieuse 1862 | Seite 222

214 ALIX.

“Waarlijk mijn vriend, zoo iemand nu uw bezorgd gelaat zag, men zou niet denken dat die wolk daar zetelde om eene kant.”

“MARIE, MARIE! . . . .” riep de minister verwijtend uit, maar zich herstellende liet hij hare hand aan zijne lippen brengende er op volgen: “vergeef mij ik heb ongelijk, men moet met de vrouwen alleen in hare taal spreken, en dit is niet van haar ressort.”

COLBERT verdween, en MARIE bleef geheel verslagen achter.

“Ik zou alles geven als de heer COLBERT mij dat niet gezegd had,” zeide zij na een oogenblik zwijgens.

“Hij moet het zich berouwen lieve mevrouw,” antwoordde ALIX op een gemeenzamen doch vasten toon.

“Hoe? door welk middel, ALIX?”

“Zou men de kanten van de hertogin kunnen zien, mevrouw?”

“Heel gemakkelijk, mejufvrouw DE LIREUX is mijne vriendin.”

“Spoedig, dierbare meesteres, haast u, geef mij een enkel woord van u, opdat de hertogin dat kostbare, prachtige, zeld-zame garneersel voor mij uitspreide . . . . en . . . . maar neen ik zeg niets voor dat ik verzekerd ben van het welgelukken.”

“Zou het uw idée welligt ook zijn, even als van den heer COLBERT, dat dit niet tot mijn ressort behoort,” vroeg mevrouw COLBERT half ernstig, half toornig, terwijl zij zich door hare vrouwen liet ontkleeden.

“O neen, maar ik begrijp zoo goed de smart van uwen edelen echtvriend dat ik niet durf zeggen . . . . o zou ik zoo gelukkig zijn met mijn leven, met een geheel leven van werkzaamheid, uwe goedheid, uwe vriendschap te vergelden. Één woord slechts voor de hertogin . . . . één woord, ik bid, ik smeek er u om mevrouw!”

“Dwaas kind, zoo vermoeid als ge zijt, wilt gij uitgaan . . . .”

“O ik ben niet moede meer, ik heb slechts eenen wensch, en die is – de kanten te zien.”

“Die is gemakkelijk te verkrijgen” en MARIE nam uit de handen van ALIX een rijk in goud gevat schrijftafeltje en schreef er het volgende op:

“Lieve ANTOINE: bewaar dit aandenken, en sta aan een