ALIX. 213
den met de woorden: “begrijpt gij dan niet mevrouw, dat al de dames van het hof, gij onder de eersten, voortaan uwe kan- ten zult willen gaan koopen te Venetië.”
“Als u dat hindert, mijn heer gemaal, dan zeker niet . . .”
“Gij spreekt voor u alleen, maar de andere dames . . .”
“Dit is zeker mijnheer, zeide MARIE, dat ik het betwijfel of eene andere vrouw het om u te behagen nalaten zal.”
“Doorziet gij nu de reden van mijnen toorn, mijne woede, mijn angst? als de hofdames hare kanten te Venetië gaan koopen, brengen zij enorme kapitalen buiten het land.” Hij, de bekwame minister, had in deze schijnbaar eenvoudige kantkwestie eene gewigtige staatszaak gezien, MARIE begreep dit, doch kon zich niet weêrhouden te zeggen:
“En evenwel is het mij niet duidelijk, wat ik daaraan doen kan, dat gij daarom mijne reis verstoord hebt?”
“Omdat gij vrouw zijt, en kant behoort tot uw departement. De koning is in toorn, en laat die los op het hoofd van zijnen eersten minister.”
“En diens toorn komt dus weêr op het hoofd van zijne gade. Sta mij toe mijnheer, dat ik uitruste van de reis, ik wilde mij juist naar het bad begeven toen gij binnentraadt. Daar kan tot het vrouwelijk ressort behoort zal ik om mijn bad den raad mijner vrouwen beleggen, en binnen een uur zeggen wij u ons besluit.”
“Gij spot MARIE,” zeide COLBERT droevig, “maar Frankrijk is niet rijk genoeg om zoo vele kapitalen den lande te doen uitgaan; bedenk dus dat het geld dat wij den buitenlandsche fabrieken toevoeren deze doet bloeijen . . ., maar de onze doet kwijnen.”
“De onze,” herhaalde mevrouw COLBERT, “maar hebben wij eene kantfabriek die gelijk kan staan met die van Venetie of zelfs van Vlaanderen?”
“Het is waar,” en de minister boog treurig het hoofd; maar daar hij zag dat zijne jonge vrouw zeer vermoeid was, liet hij er op volgen: “doch wat gaat het u ook aan, niet waar, het bad wacht u en wat zijn fabrieken en kanten in vergelijking met een bad dat koud wordt?”